Hoe om te weet of jy gereed is om `n tampon te gebruik: 7 ...

Copypasta

basgitaar
Belangrijke mededeling:
Om de gezondheid van u en onze medewerkers te waarborgen, vragen wij u rekening te houden met een aantal maatregelen en adviezen van het RIVM om te veiligheid te bewaren.
Vooral in deze horige tijden moeten we er voor elkaar zijn en elkaar helpen.
basgitaar
submitted by GresSimJa to appiememes [link] [comments]

W0086: Wet ter verlenging van de levensduur van elektrische en elektronische apparatuur

Wet ter verlenging van de levensduur van elektrische en elektronische apparatuur

Voorstel van wet

dekoul, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz.
Maakt bekend: Door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk is, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, vastgesteld:

ARTIKEL I

  1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. consumentenkoop: consumentenkoop zoals bedoeld in Artikel 5 van het Burgerlijk Wetboek Boek 7;
b. consumentenelektronica: elektrische en elektronische apparatuur dat bedoeld is voor de consumentenkoop;
c. elektrische en elektronische apparatuur: apparaten die afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden om naar behoren te werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden en die bedoeld zijn voor gebruik met een voedingsspanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom;
d. reparateur: een persoon die bedrijfsmatig elektrische of elektronische apparatuur herstelt.
  1. Deze wet is niet van toepassing op tweedehandsproducten.

ARTIKEL II

Het is de fabrikant onderscheidenlijk importeur van elektrische en elektronische apparatuur verboden om dat apparatuur op de markt te introduceren of in gebruik te nemen, indien met betrekking tot dat product niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen.

ARTIKEL III

Elektrische en elektronische apparatuur dient te worden ontworpen zodat het redelijk kan worden verwacht een reparateur de onderdelen van het product kan vervangen met reserveonderdelen:
a. met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap;
b. met behulp van de informatie over het herstellen van het product verkrijgbaar gemaakt door de fabrikant onderscheidenlijk importeur;
c. zonder permanente schade aan het apparaat te verrichten.

ARTIKEL IV

Consumentenelektronica dient te worden ontworpen zodat het redelijk kan worden verwacht de eigenaar van het product de onderdelen van het product kan vervangen met reserveonderdelen:
a. zonder gespecialiseerde opleiding in het herstellen van elektrische en elektronische apparatuur;
b. met behulp van een eventuele duidelijke in de Nederlandse taal geschreven informatie van de fabrikant onderscheidenlijk importeur dat met het product wordt verkocht oftewel gratis toegankelijk is op het internet,
c. met behulp van gewoonlijk beschikbaar gereedschap;
d. zonder permanente schade aan het apparaat te verrichten.

ARTIKEL V

  1. De fabrikant onderscheidenlijk importeur van elektrische en elektronische apparatuur brengt op de markt reserveonderdelen die nodig zijn voor het herstellen van de bedoelde apparatuur, aangezien de vraag naar deze reserveonderdelen.
  2. Het eerste lid is niet van toepassing in het geval dat minstens tien jaar is verstreken nadat het laatste exemplaar van het model op de markt is gebracht, er vervangende elektrische of elektronische apparatuur op de markt is en het vervangen van de apparatuur het milieu duidelijk minder belast.

ARTIKEL VI

In de wet op economische delicten wordt aan het einde van artikel 1a, onder 1°, het volgende toegevoegd:
“Wet ter verlenging levensduur elektronica, artikel 5.”

ARTIKEL VII

Deze wet treedt in werking aan het begin van 2 februari 2022.

ARTIKEL VIII

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ter verlenging levensduur elektronica.
Deze wet zal in het Staatsblad worden geplaatst en dient te worden uitgevoerd door allen die het aangaat.
Gegeven te Enschede, 04-04-2020

Memorie van toelichting

Huidige situatie

De wet op economische delicten stelt een lijst vast van handelingen die worden gezien als economische delicten en daardoor strafbaar zijn.
De wet op economische delicten is hier te bevinden: https://wetten.overheid.nl/BWBR0002063/2020-03-19#TiteldeelI_Artikel1a
Artikel 5 van het Burgerlijk Wetboek Boek 7:
“1. In deze titel wordt verstaan onder consumentenkoop: de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en een koper, natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit.
  1. Wordt de zaak verkocht door een gevolmachtigde die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf, dan wordt de koop aangemerkt als een consumentenkoop, tenzij de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst weet dat de volmachtgever niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
  2. De vorige leden zijn niet van toepassing indien de overeenkomst door leidingen naar de verbruiker aangevoerd water betreft.
  3. Indien de te leveren roerende zaak nog tot stand moet worden gebracht en de overeenkomst krachtens welke deze zaak moet worden geleverd voldoet aan de omschrijving van artikel 750, dan wordt de overeenkomst mede als een consumentenkoop aangemerkt indien de overeenkomst wordt gesloten door een aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De bepalingen van deze titel en die van afdeling 1 van titel 12 zijn naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van deze titel van toepassing.
  4. Met uitzondering van de artikelen 9, 11 en 19a, zijn de bepalingen over consumentenkoop van overeenkomstige toepassing op de levering van elektriciteit, warmte en koude en gas, voor zover deze niet voor verkoop gereed zijn gemaakt in een beperkt volume of in een bepaalde hoeveelheid, alsmede op de levering van stadsverwarming en op de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, maar die wel is geïndividualiseerd en waarover feitelijke macht kan worden uitgeoefend, aan een natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
  5. Voor de toepassing van de artikelen 9, 11 en 19a wordt een overeenkomst tussen enig persoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit en de natuurlijk persoon, die handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit, die zowel de levering van roerende zaken als het verrichten van diensten betreft, uitsluitend aangemerkt als consumentenkoop.”

Toelichting

De levensduur veel van elektronische apparaten wordt steeds korter. Het is te vermoeden dat dit opzettelijk wordt gedaan, omdat de producenten meer winst kunnen maken, als consumenten steeds nieuwe apparaten kopen. Volgens Industrieel ontwerper en onderzoeker Marcel den Hollander van TU Delft is de levensduur van elektronische apparaten tussen 2000 en 2005 met 20 procent verminderd. Als voorbeeld geeft hij een koptelefoon: in 2000 kon je er 10 jaar meedoen, maar in 2005 nog maar 8 jaar.
Er is sprake van een wegwerpmentaliteit in onze huidige economie. Dit geldt niet alleen voor elektronica, wordt het repareren van een apparaat opzettelijk moeilijker gemaakt, bijvoorbeeld door geen schroeven te gebruiken om te voorkomen dat de eindgebruiker het apparaat open kan maken.
Dit heeft een grote negatieve impact op klimaat en milieu. Het is duidelijk duurzamer om alleen één onderdeel te vervangen in plaats van steeds de hele apparaat. Deze wet is nodig om onze klimaatdoelen te halen en om de hoeveelheid gegenereerde afval te verminderen.
De Europese Unie heeft al enkele stappen gezet om het recht op reparatie te vast te stellen. Vanaf 2021 moeten wasmachines en koelkasten makkelijk repareerbaar zijn door een professionele reparateur en moeten fabrikanten professionele reparateurs voorzien met informatie en reserveonderdelen.
Deze wet gaat nog een stap verder. Het geld voor alle elektrische en elektronische apparaten. Consumentenelektronica moet ook repareerbaar zijn voor de consument, wat het repareren ook voor professionals eenvoudiger maakt. Als het apparaat niet aan deze regels voldoet, mag het niet worden verkocht op de Nederlandse markt.
De producent of invoerder moet ook genoeg reserveonderdelen maken voor de producten die op de markt worden gebracht. Anders krijgt het bedrijf een boete van maximaal 670 000 euro.

Ingediend door JohanCAvdM namens de regering

Deze lezing loopt tot en met vrijdag, 24-april

submitted by GERDI-RMTK to RMTK [link] [comments]

W0065: Wetswijziging Drank- en Horecawet

Wetswijziging Drank- en Horecawet

VOORSTEL VAN WET

dekoul[ ](javascript:void 0), Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. Maakt bekend: Door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk is, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, vastgesteld: Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Drank- en Horecawet te wijzigen gezien de persoonlijke vrijheden van de jeugd en het volk die wij voorop willen stellen alsmede de teleurstellende resultaten van een recente wetswijziging recht te trekken; Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
 
Artikel I
De Drank- en Horecawet wordt als volgt gewijzigd:
 
A Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
  1. In de definitie van «horecabedrijf» wordt voor de puntkomma aan het slot ingevoegd «, niet zijnde het uitoefenen van een slijtersbedrijf of een gemengd kleinhandelsbedrijf».
  2. In de definitie van «slijtersbedrijf» wordt «de activiteit bestaande uit» vervangen door «de activiteit in ieder geval bestaande uit», wordt «al dan niet gepaard gaande met» vervangen door «waaronder in voorkomend geval mede wordt begrepen» en vervalt «of met het bedrijfsmatig verrichten van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen andere handelingen».
  3. Na de definitie van «slijtersbedrijf» wordt een definitie ingevoegd, luidende: – gemengd kleinhandelsbedrijf: de activiteit, in hoofdzaak bestaande uit het, al dan niet gepaard gaande met dienstverlening, uitoefenen van kleinhandel in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, gepaard gaande met het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank;.
  4. In de definitie van «slijtlokaliteit» vervalt «voor gebruik elders dan ter plaatse».
  5. Na de definitie van «inrichting» wordt een definitie ingevoegd, luidende:
    ​ – kleinhandelsruimte: ​ een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar een gemengd kleinhandelsbedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen, voor zover die terrassen in de onmiddellijke nabijheid van die ruimte zijn gelegen;.
  6. De definitie van «leidinggevende» wordt als volgt gewijzigd: a. In onderdeel 1° wordt «het horecabedrijf of het slijtersbedrijf» vervangen door «het horecabedrijf, het slijtersbedrijf of het gemengd kleinhandelsbedrijf». b. In onderdeel 2° wordt na «die algemene leiding geeft aan» ingevoegd «een gemengd kleinhandelsbedrijf of aan». c. In onderdeel 3° wordt na «in een inrichting» ingevoegd «of kleinhandelsruimte».
  7. In de definitie van «vergunninghouder» wordt na «bedoeld in artikel 3» ingevoegd «, 3a of 3b».
 
B Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid vervalt «of slijtersbedrijf».
  2. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende: 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden gesteld waaronder de vergunning, op verzoek van degene die de vergunning aanvraagt, tevens wordt verleend voor het verrichten van activiteiten die verband houden met de activiteit die in ieder geval door een horecabedrijf wordt verricht.
 
C Na artikel 3 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3a
  1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het slijtersbedrijf uit te oefenen.
  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden gesteld waaronder de vergunning, op verzoek van degene die de vergunning aanvraagt, tevens wordt verleend voor het verrichten van activiteiten die verband houden met de activiteit die in ieder geval door een slijtersbedrijf worden verricht.
  3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3b
  1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het gemengd kleinhandelsbedrijf uit te oefenen.
  2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden gesteld waaronder in een gemengd kleinhandelsbedrijf bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt.
  3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag van een vergunning als bedoeld in het eerste lid.
 
D Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid vervalt «van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf».
  2. In het vierde lid wordt «het horecabedrijf of het slijtersbedrijf» telkens vervangen door «het horecabedrijf, het slijtersbedrijf of het gemengd kleinhandelsbedrijf».
  3. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt na «artikel 3» ingevoegd «, 3a of 3b».
 
E Artikel 12 komt te luiden:
Artikel 12 Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse anders dan:
      a. in een in de vergunning vermelde horecalokaliteit;       b. in een in de vergunning vermelde slijtlokaliteit, indien de vergunning, bedoeld in artikel 3a, hierop ziet;       c. in een kleinhandelsruimte, indien de vergunning, bedoeld in artikel 3b, hierop ziet; of       d. op een in de vergunning, bedoeld in artikel 7, vermeld terras, tenzij het betreft het vanuit zodanige lokaliteit afleveren van alcoholhoudende drank op bestelling in hotelkamers ingericht voor nachtverblijf of het verstrekken van alcoholhoudende drank door het in dergelijke hotelkamers beschikbaar te stellen.
 
F Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse anders dan in een:
      a. in de vergunning vermelde slijtlokaliteit;       b. in de vergunning vermelde horecalokaliteit, indien de vergunning, bedoeld in artikel 3, hierop ziet;       c. kleinhandelsruimte, indien de vergunning, bedoeld in artikel 3b, hierop ziet.
 
G Artikel 14 komt te luiden: Artikel 14
  1. Het is verboden een horecalokaliteit, slijtlokaliteit, kleinhandelsruimte of terras dat onderdeel is van een inrichting of kleinhandelsruimte tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen van:
          a. het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van goederen in het kader van een openbare verkoping, als bedoeld in artikel 1 van de Wet ambtelijk toezicht bij openbare verkopingen;       b. het bedrijfsmatig aanbieden van diensten, uitgezonderd: a. diensten van recreatieve en culturele aard; b. indien het een kleinhandelsruimte betreft: persoonlijke dienstverlening;       c. het bedrijfsmatig verhuren van goederen;       d. het in het openbaar bedrijfsmatig opkopen van goederen; dan wel toe te laten dat daarin zodanige handel wordt of zodanige activiteiten worden uitgeoefend.
  2. Onder diensten van recreatieve aard als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt niet verstaan het aanbieden van kansspelen, met uitzondering van het aanwezig hebben van speelautomaten als bedoeld in Titel Van van de Wet op de kansspelen.
 
H Artikel 15 vervalt.
 
I In artikel 18, eerste lid, wordt «het slijtersbedrijf» vervangen door «het horecabedrijf, het slijtersbedrijf of het gemengd kleinhandelsbedrijf».
 
J Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid wordt «18» alle keren vervangen door «16»
  2. Het tweede lid komt te luiden: 2a. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken aan een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Onder verstrekken als bedoeld in de eerste volzin wordt eveneens begrepen het verstrekken van sterke drank aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, welke drank echter kennelijk bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. 2b. Het is verboden in een slijtlokaliteit de aanwezigheid toe te laten van een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, anders dan onder toezicht van een persoon van 21 jaar of ouder.
  3. In het vierde lid wordt na «een slijtlokaliteit,» ingevoegd «een kleinhandelsruimte,».
  4. In het vijfde lid wordt «een slijtlokaliteit of horecalokaliteit» vervangen door «een slijtlokaliteit, horecalokaliteit of kleinhandelsruimte».
  5. In het zesde lid wordt «een slijtlokaliteit of horecalokaliteit» vervangen door «een slijtlokaliteit, horecalokaliteit of kleinhandelsruimte».
 
K Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:
  1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot het eerste en tweede lid.
  2. In het tweede lid (nieuw) wordt «tweede lid» vervangen door «eerste lid».
 
L Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid wordt «een horecalokaliteit of een slijtlokaliteit» vervangen door «een horecalokaliteit, slijtlokaliteit of kleinhandelsruimte».
  2. In het derde lid wordt «een slijtlokaliteit of een horecalokaliteit» vervangen door «een horecalokaliteit, slijtlokaliteit of kleinhandelsruimte».
 
M Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid, aanhef, wordt «slijtersbedrijf of horecabedrijf» vervangen door «slijtersbedrijf, horecabedrijf of gemengd kleinhandelsbedrijf».
  2. In het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, wordt «dan het slijtersbedrijf» vervangen door «dan het horecabedrijf, slijtersbedrijf of het gemengd kleinhandelsbedrijf».
  3. In het tweede lid wordt na «horecabedrijf,» ingevoegd «slijtersbedrijf of gemengd kleinhandelsbedrijf,» en vervalt de laatste zin.
 
O Artikel 25a wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid wordt na «in inrichtingen» ingevoegd «of kleinhandelsruimtes».
  2. In het tweede lid, onderdeel a, wordt na «inrichtingen» ingevoegd «of kleinhandelsruimtes».
  3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt na «artikel 3» ingevoegd «, 3a of 3b».
 
P In artikel 25d, eerste lid, onderdeel a, wordt na «de betreffende horecalokaliteit» ingevoegd «, slijtlokaliteit of kleinhandelsruimte».
 
Q In artikel 26, eerste lid, wordt na «artikel 3» ingevoegd «, 3a of 3b».
 
R Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid, onder a, wordt «de artikelen 8 tot en met 10» vervangen door «de artikelen 8 en 9».
  2. In het tweede lid wordt na «een inrichting» ingevoegd «of kleinhandelsruimte».
 
S Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
  1. In het eerste lid, onderdeel c, wordt na «de inrichting» ingevoegd «of kleinhandelsruimte».
  2. In onderdeel d wordt «de horeca-of slijtlokaliteiten en terrassen» vervangen door «de horecalokaliteit, slijtlokaliteit of kleinhandelsruimte».
 
T In artikel 30 wordt «Indien een inrichting» vervangen door «Indien een inrichting of kleinhandelsruimte» en wordt «ten aanzien van de inrichting» vervangen door «ten aanzien van de inrichting of de kleinhandelsruimte».
 
U In artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, wordt «horecabedrijf of slijtersbedrijf» vervangen door «horecabedrijf, slijtersbedrijf of gemengd kleinhandelsbedrijf».
 
V Artikel 31, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
  1. In onderdeel a wordt «artikelen 8 en 10» vervangen door «artikel 8».
  2. In onderdeel c wordt na «betrokken inrichting» ingevoegd «of kleinhandelsruimte».
 
W In artikel 32, tweede lid, wordt na «artikel 3» ingevoegd «, 3a of 3b».
 
X In artikel 44a, eerste lid, wordt na «de artikelen 3,» ingevoegd «3a, 3b,» en wordt «22, eerste en tweede lid» vervangen door «22, eerste lid».
 
Y Artikel 45, eerste lid, komt te luiden: Het is degene die de leeftijd van 16 jaar nog niet heeft bereikt, verboden op voor het publiek toegankelijke plaatsen alcoholhoudende drank aanwezig te hebben of voor consumptie gereed te hebben, met uitzondering van plaatsen waar bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse wordt verstrekt.
 
Z Artikelen 46 en 47 komen te vervallen.
 
ARTIKEL II
In artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, wordt na «artikelen 3» ingevoegd «, 3a, 3b».
 
ARTIKEL III
In de Wet op de economische delicten wordt in artikel 1, onder 4°, bij de Drank- en horecawet na «3,» ingevoegd «3a, 3b,».
 
ARTIKEL IV
Deze wet treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
 
ARTIKEL V
Deze wet wordt aangehaald als: Wetswijziging Drank- en Horecawet voor regulering mengformules en jeugd. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatste en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Memorie van toelichting

Huidige situatie:

Drank- en Horecawet

Vanwege de grootschaligheid van de aanpassingen is de Drank- en Horecawet hier te vinden.

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°: de artikelen 3 en 30a van de Drank- en Horecawet;

Wet op de economische delicten

Artikel 1, onder 4°, bij de Drank- en Horecawet: de Drank- en Horecawet, de artikelen 2, 3, 4, 12 tot en met 19, 20, eerste tot en met zesde lid, 21, 22, 24, 25, 25a tot en met 25d, 29, derde lid, 35, tweede en vierde lid, en 38;
Deze wet zal in het Staatsblad worden geplaatst en dient te worden uitgevoerd door allen die het aangaat.
Gegeven te Enschede, 15/01/2020

Toelichting:

Hoewel winkels en winkelstraten in Nederland een belangrijk onderdeel zijn van de sfeer en leefbaarheid van onze dorpen en steden, gaat het niet goed met ze. Doordat klanten zich steeds vaker naar het internet wenden voor werkelijke inkopen is het “uit winkelen gaan” steeds meer een kwestie van beleving en plezier geworden dan van noodzakelijkheid. Dit is echter vaak niet genoeg voor winkeliers, en veel winkels moesten dan ook recent hun deuren sluiten. Hun panden komen leeg te staan en de ooit zo leuke winkelstraat is nu verlaten.
Omdat de consument tegenwoordig steeds vaker winkel voor de beleving, vindt dit kabinet dat winkeliers ook de opties geboden moeten worden om een beleving aan te bieden aan hun klant. Wat wij hiervoor in dit wetsvoorstel willen doen is het toestaan van het combineren van verschillende bedrijfsmodellen, zoals horeca en detailhandel. Wilt u een biertje in de bouwmarkt, of een wijntje in de winkel? Dit wetsvoorstel maakt dat mogelijk. Dit idee hebben we in de praktijk al vaker gezien, met name bij boekhandelaren die een leeshoekje met koffie inrichten, maar wij zijn niet in waarom hier geen alcohol geschonken zou mogen worden, mits er verder aan alle regels gehouden wordt. Hierdoor wordt hopelijk de winkelstraat in Nederland een nieuw leven ingeblazen.
Daarnaast doet dit wetsvoorstel nog een ding: het verlagen van de minimumleeftijd voor licht alcoholische dranken naar 16 jaar. Recentelijk is deze opgehoogd naar 18 jaar, en dat besluit betreuren wij dan ook ten zeerste. Deze beslissing is destijds genomen om veelvuldig alcoholgebruik onder jongeren aan te pakken, maar na een paar jaar experimenteren is gebleken dat dit niet heeft gebaat. Wat er wel gebeurt is dat kinderen, jongeren, nu al veel sneller aan de sterke drank gaan. In plaats van het houden bij een biertje gaat men direct naar de berenburg, niet grolsch maar nu al een gin. Dit is niet wat wij aan willen moedigen. Daarnaast willen wij mensen, ook van deze leeftijd, niet hun persoonlijke vrijheden ontnemen voor maatregelen die helemaal niet helpen.

Ingediend door MerijnZ1 namens de regering

De eerste lezing loopt tot en met 02-02-2020

submitted by GERDI-RMTK to RMTK [link] [comments]

ITIL. Servicelevencyclus

5 Fases van de cyclus:
Service strategy: (servicestrategie)
In deze fase worden de richtlijnen bepaald voor het creëren van businesswaarde (services moeten bijdragen tot betere bedrijfsresultaten) en het realiseren en behouden van strategisch voordeel. Dit is de as van de levencyclus.
Service design (service-ontwerp):
In deze fase worden passende en vernieuwende IT-services ontworpen en ontwikkeld. Dit alles om te voldoen aan de huidige en toekomstige eisen van de business.
Service transition (servicetransitie):
In deze fase worden nieuwe en aangepaste services, volgens de eisen van de klant gerealiseerd. Managen en plannen is een onderdeel van deze fase.
Service operation (serviceproductie):
Deze fase gaat over het managen en uitvoeren van activiteiten voor levering en support van services. Doel is dat de klant en de serviceprovider hiermee waarde krijgt.
Continual Service Improvement (CSI) (continue serviceverbetering):
Dit is de fase van continue verbetering van efficiente en effectiviteit van IT-services ten opzichte van business-eisen. Het is een continue controle over de hele levencyclus.
KPI?
KPI staat voor; Key Perfromance Indicator oftwel Kritieke prestatie-indicator zijn variabelen om de prestaties van een bedrijf, merk of product te analyseren. KPI's worden gebruikt om het succes van een organisatie in het algemeen te meten, of het succes van een bepaalde actie of campagne. Deze eenheden maken de mate van succes en de voortgang van het nastreven van langetermijndoelen inzichtelijk. De mate van kritiek onderscheidt een key performance indicator van andere prestatie-indicatoren. Organisaties hebben doorgaans zeer veel informatie beschikbaar over het eigen functioneren, maar de KPI's zorgen voor een hanteerbaar beeld op basis van de meest essentiële statistieken.
CSF (KSF)?
Kritieke succesfactoren zijn factoren die beslissend zijn voor het al dan niet behalen van een vooraf gesteld doel. Om het doel te behalen ("succes") zijn bepaalde factoren een noodzakelijke voorwaarde ("kritiek").
Verschil tussen CSF en KPI:
Kort samengevat, een KPI moet je objectief kunnen meten, zodat er achteraf geen enkele discussie kan ontstaan over het feit of een KPI wel of niet is gehaald. En daar zit het grote verschil met een KSF. Een Kritieke Succes Factor is namelijk iets dat noodzakelijk is om je strategie te kunnen gaan uitvoeren. En daardoor dus niet SMART. Als ik het wat kort door de bocht samenvat; een KSF is iets dat je (wellicht) nodig hebt om je KPI te kunnen halen.
Helpdeskmedewerker
Een helpdeskmedewerker (ook wel supportmedewerker of servicedeskmedewerker) is iemand die mensen te hulp schiet die vragen of problemen hebben op het gebied van ICT. Hij lost eventuele technische problemen op en adviseert mensen over het omgaan met bijvoorbeeld softwaresystemen, computerprogramma’s, applicaties, hardware, etc.
De functie van helpdeskmedewerker is niet (altijd) gelijk aan die van technical support medewerker. Deze laatste heeft vaak een specifiekere technische achtergrond en houdt zich ook bezig met het testen en ontwikkelen van programmatuur. Helpdeskmedewerkers hebben meestal een wat algemenere, bredere taak en kunnen doorverwijzen indien de problemen al te complex of technisch worden. Dat neemt niet weg dat in sommige organisaties de twee functies kunnen samenvallen.
Functieprofiel van een helpdeskmedewerker
Een helpdeskmedewerker heeft doorgaans de volgende taken:
Functieprofiel en de taken van een Technisch beheerder
Als Technisch beheerder ben je verantwoordelijk voor het technisch beheren en repareren van gebreken aan de gebouwen, waaronder installaties, inventaris en terreinen, zodat bewoners en medewerkers veilig en gezond kunnen wonen en werken. Je controleert het gebouw op veiligheid en gebreken en je verhelpt storingen. Verder inspecteer je woningen en stel je inspectieformulieren op. Je verwerkt gereed meldingen van opdrachten in het systeem, stelt rapportages op en neemt meterstanden op. Verder participeer je op reguliere basis mee in de Consignatiedienst.
Ook adviseer en informeer je bewoners en medewerkers over het gebruik van gebouwen en installaties. Daarbij ben je voor de bewoners het aanspreekpunt als ‘huismeester’. Daarbij gaat het voornamelijk om het herstellen van kleine gebreken in hun woning. De nadruk van deze functie ligt op het tijdig signaleren en het goed en tijdig herstellen van (te verwachten) gebreken. Hierbij heb je een servicegerichte en dienstverlenende instelling richting bewoners en medewerkers.
Beheebedrijfsvoering
Je beheert installaties uit binnen het kader van het jaarplan/activiteitenplan met als doel optimale inzet en instandhouding van de installaties. Vanaf afstand verzorg je in- en uit bedrijfsinstellingen van installaties bij onderhoud en bij storingen, zodat installaties veilig en met minimale verstoring voor de levering in en uit bedrijf gaan.
Storingen
Je monitort verstoringen binnen de beschikbaarheid van de installaties storingen, stuurt waar nodig externe (storing)monteurs aan, maakt storingsanalyses en lost complexe technische klachten om eventuele onderbreking van de installatie zo kort mogelijk te houden.
Plannen
Je stelt onderhoud- en beheersplannen op binnen de geldende normen, voorschriften, specificaties en procedures om zo een optimale inzet en instandhouding van de installaties te bereiken.
Vastleggen gegevens
Je legt relevante technische en administratieve gegevens zodat er een correct inzicht in de onderhoudssituatie kan worden gegeven.
Veiligheid, Arbo en Milieu
Je voert activiteiten op het gebied van Arbo- en Milieuzorg uit rekeninghoudend met het Arbo/Milieubeleid van de organisatie, gericht op optimale arbeidsomstandigheden.
In- & externe contacten
Je hebt veelvuldig klantcontact met zowel externe als interne klanten met als doel een hoge klanttevredenheid te behalen.
Applicatiebeheerder
Een applicatiebeheerder is iemand die verantwoordelijk is voor het functionele en/of technische beheer van een applicatie of informatiesysteem.
Onder applicatiebeheer wordt verstaan het aanpassen van applicaties (over het algemeen bedrijfsmatige ICT-systemen) naar aanleiding van veranderende functionele of technische eisen van gebruikers of voor het verhelpen van geconstateerde fouten. Het omvat in feite best practices, technieken en procedures die essentieel zijn voor de optimale werking, prestaties en efficiëntie van een specifieke applicatie voor de gebruikers en de (back-end) ICT-infrastructuur.
Functieprofiel van een applicatiebeheerder
Functieprofiel en de taken van een ICT- beheerder
De beheerder draagt de verantwoordelijkheid voor een constant en optimaal werkende netwerk- /mediainfrastructuur en/of informatie- en/of mediasysteem en voor het documenteren van en het rapporteren over zijn werkzaamheden. De beheerder zal al zijn werkzaamheden moeten benaderen met een proactieve houding, waarbij oog voor bedrijfsprocessen een pre is. De beheerder is creatief in het zoeken naar oplossingen voor technologische vraagstukken. Hij zorgt dat hij voortdurend bijblijft op zijn vakgebied. Daarnaast stelt hij zich klantgericht, kritisch en flexibel op. Hij kan goed samenwerken, werkt nauwkeurig, heeft doorzettingsvermogen, kan goed omgaan met tijdsdruk en heeft geen '9 to 5' mentaliteit. Ook wordt van hem verwacht dat hij kan werken volgens kwaliteitscriteria en procedures en dat hij hier ook een bijdrage aan levert. Tenslotte is hij er zich van bewust dat hij een voorbeeldfunctie heeft t.o.v. de eindgebruikers en zijn collega's. Kenmerkend is ook dat de beheerder de Engelse taal beheerst en kan toepassen binnen zijn werkzaamheden: ICT is wereldwijd.
Wat doet een ICT-beheerder? :
submitted by projectbeheer1 to u/projectbeheer1 [link] [comments]

SEO Nijmegen: betaalbare local SEO

Voor ondernemers in de regio Nijmegen is SEO Nijmegen van belang. Google heeft hier een oplossing voor door elke regio van lokale zoekresultaten te voorzien. Dit houdt in dat de zoekresultaten voor bijvoorbeeld ‘financiële dienstverlener in Nijmegen’ andere resultaten tonen dan zoekopdrachten in andere woonplaatsen.

Waarom is local SEO belangrijk?

Meer dan de helft van de zoekopdrachten op Google worden uitgevoerd met een lokale zoekintentie. Dit betekent dat één op de twee mensen in Google zoeken naar lokale producten of diensten. Als je website niet geoptimaliseerd is voor local search dan loop je veel klanten mis.
Je bent op zoek naar een local SEO expert in Nijmegen voor je zaak? Ekxo is gevestigd in Nijmegen en maakt voor jou een zoekmachine optimalisatie strategie op maat. Neem nu contact met mij op voor hoogwaardige local SEO voor Wordpress website eigenaren met een prestatiegarantie, zonder een vervelend contract.
Local SEO is onmisbaar voor lokale ondernemers. SEO levert maar liefst drie keer zoveel klanten op. Bron: onderzoek Argeweb. Leads afkomstig van local SEO sluiten het vaakst tevens is het de meest voordelige vorm van digital marketing.
https://preview.redd.it/wa250vyvk5s31.jpg?width=960&format=pjpg&auto=webp&s=063a9c1a0abed2e11fbb45a82090705f0c836163
Ik besteed grote zorg aan alle elementen die bijdragen aan uitstekende rankings in Google. Zijn jouw webpagina’s op de juiste manier geoptimaliseerd en is jouw content volgens Google van goede kwaliteit?

Wat krijg je als je met Ekxo werkt

Local SEO een definitie

Zoekmachine optimalisatie, in het Engels 'search engine optimization' genoemd, afgekort S.E.O. is een onderdeel van zoekmachinemarketing. Het kan worden gedefinieerd als het geheel aan activiteiten bedoeld om webpagina's lokaal hoog te laten ranken in de lokale organische zoekresultaten van bijvoorbeeld Google en Bing.

De noodzaak van lokale zoekmachine optimalisatie

Nog steeds klikken gebruikers van zoekmachines overwegend op de ‘organische’ zoekresultaten. Goed vindbaar zijn in de organische zoekmachine zoekresultaten van zoekmachines is belangrijk.

Wat kan ik voor jou betekenen?

SEO consultancy: We starten elk local SEO traject met realistische doelstellingen. Haal meer rendement uit je inspanningen door gebruik te maken van mijn kennis.
Website optimalisatie: Hoe zorg je voor een betere vindbaarheid van je website? Nadat ik mijn local SEO audit heb afgerond hebben we alle inzichten in huis voor het bereiken van optimale vindbaarheid!
Content creatie: Local SEO copywriting, Ik ontwikkel overtuigende en relevante content voor je website dat wordt gewaardeerd door je doelgroep.
Ik maak je website uitstekend vindbaar. Mijn aanpak is elke keer succesvol. Alles begint bij het analyseren van de juiste zoekwoorden en een geoptimaliseerde website. Door ons te richten op woorden die veel zoekvolume hebben en realistisch haalbaar zijn zorg ik voor snel resultaat.

https://preview.redd.it/gkjvhiv6l5s31.png?width=960&format=png&auto=webp&s=b50a522242b3c6a6d2debcbdaabaacd15f18de99
Mijn vier stappen aanpak voor local SEO in Nijmegen met een hoge ROI

Stap één: website optimalisatie

Zoekmachines werken met spiders die continu het internet afzoeken en alle websites proberen te vinden en te interpreteren. Een algoritme met tweehonderd variabelen beoordeeld wat de positie van jouw website in de zoekmachine behoort te zijn. Om de spiders succesvol jouw site te laten interpreteren met je website in optimale technische staat verkeren.
Ik voer een local SEO audit uit en ik voorzie je van een audit rapport met alle aandachtspunten. Waarna ik er zorg voor draag dat je website in een optimale technische staat verkeert zodat de zoekmachine spiders je site makkelijk kunnen spideren.
Hierbij besteed ik het in bijzonder aandacht aan: laadsnelheid en mobile SEO. Dit zijn twee zeer belangrijke variabelen in het algoritme van Google.Ik kijk of de techniek van de website geschikt is voor mobile search. Hoe wordt je website op een mobiel weergegeven?

Stap twee: trefwoord analyse

Op welke trefwoorden wil je dat je website gevonden wordt en zijn de trefwoorden relevant voor je doelgroep? Zijn dit trefwoorden die een onderscheidend vermogen bieden tegenover je concurrentie? Ik voer een uitvoerig trefwoordanalyse uit en ik presenteer een doordacht trefwoord analyse rapport.

Stap drie: lokale website optimalisatie

Ik zorg er voor dat je website zoekmachine- en gebruiksvriendelijk is en daardoor optimaal vindbaar is waardoor consumenten je site graag bezoeken en de gewenste acties uitvoeren.

Stap vier: doordachte content optimalisatie

Zodra de meest effectieve trefwoorden bekend zijn en je website geoptimaliseerd is, staat het fundament gereed voor content optimalisatie. Ik optimaliseer je: content, teksten, afbeeldingen, video's tevens creëer ik topic clusters waardoor je content optimaal rankt. Hierdoor weten zoekmachines je site juist te indexeren en wordt je website getoond op de voor jou relevante zoekwoorden en weet je doelgroep je website te vinden.

Stap vijf: local linkbuilding

Lokale linkbuilding dus links afkomstig uit Nijmegen en omgeving toont Google dat je een betrouwbare lokale onderneming bent en dit beloond Google met een hoge positie in de lokale zoekresultaten. We gaan voor een top positie in de Google 3-Pack!

Welke zoekwoorden leveren je de meeste klanten op?

Wil je vrijblijvend ontdekken welke Google zoekwoorden je de meeste klanten opleveren? Neem dan nu contact met me op. Bezoek mijn website Ekxo.nl.
submitted by SEONijmegen to Ekxo [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Wörsdörfer, Remco Dijkstra en Stoffer over het bericht ‘Transporteurs boos over dure Nederlandse tachokaart: ‘In buitenland veel goedkoper’

  Geachte voorzitter,   Hierbij zend ik u, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, de antwoorden op de vragen van de leden Wörsdörfer, Remco Dijkstra (beiden VVD) en Stoffer (SGP) over het bericht ‘Transporteurs boos over dure Nederlandse tachokaart (ingezonden 12 juni 2019).   Vraag 1   Bent u bekend met het bericht ‘Transporteurs boos over dure Nederlandse tachokaart: ‘In buitenland veel goedkoper’?   Antwoord 1   Ja.   Vraag 2   Klopt de veronderstelling dat de tachograafkaarten in heel Europa hetzelfde zijn, maar dat Nederlandse ondernemers verplicht zijn ze in Nederland aan te schaffen? Zo ja, kunt u beamen dat de tarieven voor tachograafkaarten in Nederland substantieel hoger liggen dan in omringende landen? Kunt u een overzicht delen van de prijzen van de verschillende tachograafkaarten in de Europese lidstaten?   Antwoord 2   Tachograafkaarten moeten in heel Europa aan dezelfde eisen voldoen. De Europese regels voor tachografen, verordening 165/2014, schrijven voor dat bestuurderskaarten moeten worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft. In het geval van Nederland is het Kiwa Register aangewezen als bevoegde autoriteit om tachograafkaarten uit te geven. Het aanvragen van kaarten in andere lidstaten is daarom niet mogelijk.   Het is mij bekend dat er prijsverschillen zijn tussen verschillende lidstaten. Met het eerder aangekondigde benchmarkonderzoek, waarbij een vergelijking wordt gemaakt met een aantal Europese landen en Nederland hoop ik hier meer inzicht in te krijgen. Dit geldt tevens voor de oorzaken waardoor de verschillen in tarieven bestaan. Dit onderzoek zal na de zomer naar uw Kamer worden gestuurd.   Regulier is het overigens volgens Verordening 165/2015 dus niet toegestaan om kaarten in het buitenland aan te vragen. Deze dienen te worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat waar de bestuurder zijn gewone verblijfplaats heeft. Door overmacht, vanwege de tekortschietende productie van de kaartleverancier heeft de Europese Commissie thans toegestaan dit tijdelijk wel te doen, via Kroatië en het Verenigd Koninkrijk. De kaarten werden daarbij overigens nog steeds via KIWA in Nederland verkocht.   Vraag 3   Indien deze veronderstelling klopt, deelt u de mening dat het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (mkb) zo onnodig op kosten wordt gejaagd? Kunt u uiteenzetten wat de gevraagde tarieven aan Nederlandse ondernemers betekenen voor het concurrentievermogen van Nederland?   Antwoord 3   Ieder land maakt een eigen afweging hoe de productie en uitgifte van vergunningen en transportproducten zoals een tachograafkaart worden bekostigd. Met de voorziene herzieningen van het stelsel van de tarieven wil ik hier meer duidelijkheid in brengen. Uiteraard vormen kosten voor het bedrijfsleven een belangrijk aspect. Omdat de bestuurders- of bedrijfskaart maar één keer in de vijf jaar moet worden aangeschaft en in het totale kostenplaatje een beperkte kostenpost is, is de hoogte van het tarief van de tachograafkaart beperkt van invloed op het concurrentievermogen van Nederland. Wel is mijn doel om bij de stelselherziening te bekijken of een verlaging van de tarieven mogelijk is.   Vraag 4   Deelt u het streven dat de Europese interne markt zoveel mogelijk belemmeringen zou moeten wegnemen? Zo ja, hoe verhoudt het mogelijke verschil in prijs van de tachograafkaarten tussen bijvoorbeeld Nederland en Tsjechië zich tot dit streven?   Antwoord 4   Het kabinet deelt het streven naar een goed werkende interne markt voor goederen en diensten en ziet deze als één van de belangrijkste instrumenten van de Europese Unie voor welvaart en banen. Bij brief van 19 oktober 2018 heeft het kabinet zijn algemene inzet voor de interne markt uiteengezet.   Vraag 5   Indien de tarieven voor tachograafkaarten in Nederland substantieel hoger liggen dan in omringende landen, deelt u de mening dat het Nederlandse mkb zo op achterstand wordt gezet? Zo ja, welke stappen bent u bereid te nemen om de Nederlandse transportsector op een eerlijke en gelijke wijze te laten concurreren met Europese transportbedrijven?   Antwoord 5   Zoals eerder toegezegd zal ik uw Kamer informeren over de nieuwe tariefregeling die eenvoudiger, beter uitlegbaar en transparanter zal zijn dan de regeling op dit moment. Als de nieuwe tariefregeling gereed is wordt duidelijk of, en zo ja met welk percentage, de tarieven van de tachograafkaarten kunnen dalen.   Vraag 6   Hoe verhouden de antwoorden in de eerder gestelde schriftelijke vragen door het lid Stoffer c.s. dat de invoering van deze tachograaf en de aanvullende eisen die worden gesteld aan het uitgifteproces en de extra functionaliteiten die aan de tachograafkaart worden toegevoegd leiden tot hogere kosten, en dat er een onderscheid is in verschillende typen tachograafkaarten waarbij Nederland in tegenstelling tot het buitenland een uniform tarief hanteert zich tot het feit dat KIWA niet in staat was om de nieuwe kaarten voor bijvoorbeeld de zogenaamde smart-tachograaf op tijd te leveren en gedwongen was om kaarten in Kroatië en Groot-Brittannië in te kopen? Heeft de aankoop van kaarten uit Kroatië en Groot-Brittannië gevolgen gehad voor de tarieven in Nederland aangezien het tarief de werkelijke kosten niet mag overschrijden?   Antwoord 6   De aankoop van kaarten uit Kroatië en Groot-Brittannië heeft geen gevolgen voor de tarieven in Nederland. Een vergelijking met het Britse systeem is overigens opgenomen in de Benchmark. Hierover zult u dus na de zomer worden geïnformeerd.   Vraag 7   Klopt de veronderstelling dat de kaarten uit bijvoorbeeld Kroatië, na aanpassing van de landcode, technisch gezien gelijk zijn aan de Nederlandse kaarten?   Antwoord   Ja, dit is correct.   Vraag 8   Indien deze veronderstelling klopt, waarom kunnen Nederlandse ondernemers, in het kader van het wegnemen van belemmeringen binnen de Europese interne markt, geen kaarten uit bijvoorbeeld Zweden, Duitsland of Kroatië aanschaffen? Deelt u de mening dat het Nederlandse mkb zo beter kan concurreren met Europese concurrenten?   Antwoord 8   Zie antwoord op vraag 2.   Vraag 9   Kunt u aangeven wat de negatieve gevolgen zijn van de aanschaf en het gebruik van bijvoorbeeld Duitse kaarten door Nederlandse mkb’ers?   Antwoord 9   Aanschaf van buitenlandse kaarten door Nederlandse mkb’ers is niet mogelijk.   Hoogachtend,   DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,   drs. C. van Nieuwenhuizen Wijbenga
  Datum: 29 juli 2019   Nr: 2019D31752   Indiener: C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Ziengs over het bericht ‘Extra spitstrein op Maaslijn, Boxmeer verliest aansluiting’

  Geachte voorzitter,   Vraag 1   Bent u bekend met het artikel ‘Extra spitstrein op Maaslijn, Boxmeer verliest aansluiting’?   Antwoord 1   Ja.   Vraag 2   Bent u bekend met het feit dat onder andere veel leerlingen en studenten vanuit Boxmeer dagelijks reizen naar Nijmegen voor hun opleiding/studie? Klopt het dat het voor deze leerlingen en studenten, mede omdat nog niet duidelijk is of en hoe de eventuele aanpassingen gevolgen hebben voor de aansluiting op het busvervoer, grote gevolgen kan hebben indien de huidige extra spitstrein van 8.03 uur tussen Boxmeer en Nijmegen inderdaad vervalt?   Antwoord 2   Dagelijks maakt een grote groep reizigers gebruik van de Maaslijn; het merendeel van de reizigers is scholier of student. Ik heb mij door Limburg en Arriva laten informeren over eventuele gevolgen voor de reizigers door de voorgenomen wijziging van de dienstregeling.   Limburg en Arriva hebben mij gemeld dat het vervallen van de spitstrein van 8.03 uur van Boxmeer naar Nijmegen beperkte gevolgen voor reizigers heeft, omdat er om 8.00 uur ook al een trein uit Boxmeer naar Nijmegen vertrekt. Die trein heeft een kortere reistijd dan de spitstrein, vanwege de inpassing in de dienstregeling. Met de voorgenomen wijziging van de dienstregeling verwacht Arriva een stabielere en robuustere dienstregeling te kunnen rijden waardoor er sprake zal zijn van minder verstoringen op de gehele Maaslijn en dat komt ten goede aan alle reizigers.   Vraag 3 Is er een overzicht beschikbaar van het aantal personen dat dagelijks gebruikmaakt van de extra spitstrein van 8.03 uur tussen Boxmeer en Nijmegen?   Antwoord 3 Volgens de gegevens van Limburg en Arriva maken dagelijks gemiddeld 11 reizigers gebruik van de extra spitstrein.   Vraag 4 Zijn er, gezien het feit dat het ov-bedrijf aangeeft dat de huidige extra spitstrein bijna dagelijks tot vertragingen leidt, gegevens beschikbaar over het aantal vertragingen? Zo ja, waar zijn deze te vinden?   Antwoord 4   De punctualiteit van deze specifieke spitstrein is niet vrij beschikbaar. In het dashboard van ProRail zijn wel reguliere (regionale) treinen opgenomen naar de grotere stations waaronder Nijmegen.   Limburg en Arriva hebben mij laten weten dat de gemiddelde vertrekpunctualiteit van de spitstrein in de periode januari 2018-januari 2019 63,7% is. Hierbij geldt dat een trein die binnen 3 minuten vertrekt vanaf het geplande tijdstip gezien wordt als op tijd. Een later vertrek van een trein op de Maaslijn leidt (mede door het enkelspoor) vrijwel direct tot hinder voor andere (tegemoetkomende) treinen.   Vraag 5   Wat voor alternatieven zijn er bij u bekend voor reizigers vanuit Boxmeer indien de extra spitstrein vervalt? Kunt u hierbij een indicatie geven van de mogelijke extra reistijd en reiskosten?   Antwoord 5 Reizigers uit Boxmeer kunnen als alternatief reizen met de trein van 8.00 uur uit Boxmeer. De reistijd van Boxmeer naar Nijmegen is enkele minuten korter dan die van de extra spitstrein van 8.03 uur, de reiskosten zijn gelijk.   Vraag 6   Deelt u de mening dat het juist in de regio van belang is om aansluiting te houden met de omgeving, bijvoorbeeld via het spoorwegennetwerk?   Antwoord 6 Ja, ik hecht belang aan goede aansluitingen in de regio met de omgeving. Vanuit Boxmeer blijft deze aansluiting geborgd met de treinen die in de dienstregeling zijn opgenomen.   Vraag 7   Op welke manier wordt het extra geld dat het Rijk en de provincies hebben uitgetrokken om het elektrificatie project op de Maaslijn vlot te trekken besteed? Voor wanneer is nu afronding van het project voorzien?   Antwoord 7   Eind maart hebben Rijk en regio afgesproken dat het Rijk actief gaat meesturen om de verbetermaatregelen en de elektrificatie van de Maaslijn tijdig en binnen budget te realiseren. Doelmatige uitvoering en het verbeteren van de dienstverlening voor de reiziger staan daarbij voorop. Volgens de huidige planning kunnen de maatregelen op de Maaslijn in 2024 gereed zijn. Hierover heb ik uw Kamer op 2 april 2019 geïnformeerd (Kamerstukken II, vergaderjaar 2018/2019, 35000 A, nr. 90).   Hoogachtend,   DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,   S. van Veldhoven - Van der Meer
  Datum: 26 juni 2019   Nr: 2019D27539   Indiener: S. van Veldhoven-van der Meer, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Sienot over het artikel 'The hidden subsidy of fossil fuels'

Geachte Voorzitter,   Op donderdag 16 mei werden vragen gesteld door het lid Sienot van de fractie van D66, kenmerk 2019Z09737, het artikel van The Atlantic onder de titel ‘the hidden subsidy of fossil fuels’. In deze brief beantwoord ik deze vragen.   Eric Wiebes   Minister van Economische Zaken en Klimaat   2019Z09737   1   Bent u bekend met het artikel «The hidden subsidy of fossil fuels»?   Antwoord   Ja.   2   Bent u ermee bekend dat er in 2017 wereldwijd voor 5,2 miljard dollar werd gesubsidieerd aan fossiele brandstoffen, gelijk aan 6,5 procent van het wereldwijde GDP en dat als dit niet het geval was er in 2015 alleen al 28 procent minder wereldwijde CO2-uitstoot zou zijn?   3   Kunt u inzicht geven wat het aandeel is van Nederland binnen de 289 miljard dollar die de Europese Unie in 2017 uitgaf aan directe subsidies en belasting-voordelen voor fossiele brandstoffen?   4   Kunt u toelichten welke maatschappelijke kosten in Nederland jaarlijks verbonden zijn aan directe subsidies voor fossiele brandstoffen en welke aan indirecte kosten zoals de rekening van milieu en gezondheidskosten voor de samenleving ten gevolge van fossiele uitstoot?   5   Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid subsidies die Nederland geeft op fossiele brandstoffen in verhouding tot schone brandstoffen? Zo nee, waarom niet?   6   Kunt u toelichten welke vormen van subsidies aan fossiele brandstoffen in Nederland bestaan en in welke mate de producent dan wel de consument van deze subsidies profiteert?   Antwoord   Er verschijnen regelmatig internationale rapporten waarin wordt getracht inzicht te geven in het totale bedrag aan subsidies voor fossiele brandstoffen. Een eensluidend beeld komt uit deze rapporten niet naar voren omdat doorgaans een eenduidige definitie voor fossiele subsidies ontbreekt.   Ik kan geen inzicht geven in een aandeel van Nederland in directe subsidies en belastingvoordelen in een totaal ingeschat Europees bedrag. Overigens gaat het in het artikel van The Atlantic niet alleen om daadwerkelijke uitgaven. Het artikel refereert aan de analyse van het IMF dat de negatieve externe effecten in relatie tot milieu en volksgezondheid niet in de energieprijzen worden doorbelast.   Het is een bekend feit dat in een aantal ontwikkelingslanden de energieprijzen, bijvoorbeeld motorbrandstoffen, kunstmatig laag worden gehouden. Dit gebeurt vaak met een sociale doelstelling, zoals het steunen van kwetsbare delen van de bevolking. Er is breed begrip en steun voor de noodzaak om “ineffectieve fossiele subsidies” te hervormen. Dit is in de mondiale duurzame ontwikkelingsagenda opgenomen onder Sustainable Development Goal 12. Ook Nederland steunt deze Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Internationaal heeft het kabinet via de Energy Subsidy Reform Technical Assistance Facility van de Wereldbank al 55 ontwikkelingslanden ondersteund die hun fossiele subsidies willen hervormen.   De steun betreft een combinatie van advisering bij beleidsontwikkeling, publiekscommunicatie en inrichting van alternatieve sociale vangnetten.   In Nederland wordt het gebruik van fossiele brandstoffen niet gestimuleerd. Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Uit een rapport van de OESO onder de titel "Effective Carbon Rates" (gepubliceerd op 18 september 2018) bleek dat Nederland als een van vijf OESO-lidstaten meer dan 90% van de totale broeikasgasemissies beprijsd heeft in 2015.   Niet alle externe milieueffecten worden echter volledig beprijsd. Nederland kent een aantal vrijstellingen van accijns op grond van internationale verdragen die Nederland niet zo maar eenzijdig zou kunnen aanpassen. Het gaat specifiek om het Verdrag van Chicago (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale luchtvaart, uitgezonderd plezierluchtvaart) en de Akte van Mannheim (accijnsvrijstelling motorbrandstoffen voor de internationale binnenvaart, uitgezonderd pleziervaart). De Staatssecretaris van Financiën verkent echter de mogelijkheden op een accijns op kerosine in Europees verband in te voeren. Daarnaast kent Nederland in de energiebelasting verschillende vrijstellingen die ook in de ons omringende landen bestaan.   7   Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van het onderzoek naar de uiteenlopende definities van milieuschadelijke subsidies verwachten, naar aanleiding van de motie-Van Raan c.s.?   Antwoord   Uw Kamer heeft mij in de motie van het lid Van Raan op 16 januari 2018 gevraagd om deel te nemen aan het G20-peerreviewproces over subsidiëring van fossiele brandstoffen. Aangezien Nederland geen permanent lid is van de G20, is die deelname niet mogelijk gebleken. Ik heb daarom gekozen voor een alternatieve aanpak om de motie toch zo goed mogelijk uit te voeren. De aanpak houdt in dat onderzoek gedaan wordt naar de uiteenlopende definities van subsidies van onder andere het IMF en de OESO. Vervolgens zullen zowel nationale als internationale stakeholders worden geconsulteerd over de vraag welke definitie het meest passend is om in Nederland te hanteren. Daarna zal een inventarisatie van bestaande subsidies worden uitgevoerd en een concrete beleidslijn worden geformuleerd. Deze wordt vervolgens getoetst in de In-Depth Review van het International Energy Agency, waarvoor een team van internationale experts Nederland in november dit jaar zal bezoeken. Het rapport volgt meestal enkele maanden later. Wanneer het gereed is, zal ik uw Kamer nader informeren.   8   Deelt u de mening dat het cruciaal is dat het stimuleren van fossiele brandstoffen spoedig wordt afgebouwd? Wat doet het Kabinet om dit te versnellen?   Antwoord   Het kabinet onderschrijft de wenselijkheid om wereldwijd het subsidiëren van fossiele brandstoffen af te bouwen. Nederland is een van de koplopers binnen de OESO-landen wat milieubelastingen betreft. Ook internationaal steunt Nederland hervorming van de fossiele subsidies via de Energy Subsidy Reform Technical Assistance Facility van de Wereldbank. Daarnaast voert het kabinet beleid gericht op het stimuleren van hernieuwbare energie, zoals onder andere blijkt uit de SDE+-regeling.   Ik wacht de bevindingen van het nog af te ronden onderzoek af. Aan de hand van de uitkomsten zal het kabinet besluiten of en zo ja welke verdere actie ondernomen moet worden.  
  Datum: 28 juni 2019   Nr: 2019D28371   Indiener: E.D. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Lodders en Ziengs over het bericht ‘Familie in rouw na drama in stal: dertien koeien komen om in eigen mest na explosie’

Geachte Voorzitter,   Op 28 februari 2019 hebben de leden Lodders en Ziengs (beiden VVD) vragen ingezonden over het bericht ‘Familie in rouw na drama in stal: dertien koeien komen om in eigen mest na explosie’. Mede namens de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat doe ik u hierbij de antwoorden op de vragen toekomen.   Carola Schouten   Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit   2019Z03993   1   Bent u bekend met het bericht 'Familie in rouw na drama in stal: dertien koeien komen om in eigen mest na explosie?'   Antwoord   Ja, ik heb kennisgenomen van deze tragische gebeurtenis.   2   Heeft u opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het ontstaan van de explosie? Zo nee, waarom niet?   Antwoord   Naar aanleiding van het incident in Markelo overleg ik met de melkveesector en de stallenbouwbranche welke eventuele maatregelen nodig zijn om de veiligheid te garanderen, zoals het opstellen van instructies. Er is inmiddels onderzoek gedaan door de brandweer en de verzekeringsmaatschappij en er loopt nog een onderzoek van de Omgevingsdienst Twente in opdracht van de gemeente Hof van Twente.   3   Heeft u inzicht welke instanties er allemaal onderzoek doen naar het ontstaan van deze explosie?   Antwoord   Er is contact geweest met Brandweer Twente, met verzekeraar Univé en met Omgevingsdienst Twente over het incident. De brandweer heeft onderzoek verricht en verzekeraar Univé heeft onderzoek laten doen door een gespecialiseerd onderzoeksbureau. Het onderzoek van de Omgevingsdienst Twente loopt nog en wordt naar verwachting in mei afgerond.   4   Wilt u de uitkomsten van het onderzoek delen met de Kamer?   Antwoord   Hetgeen ik kán delen zal ik met uw Kamer delen. Hoewel het brandweeronderzoek voor brandweer-intern gebruik is en het onderzoek in opdracht van Univé om privacy redenen niet openbaar is hebben deze partijen wel gedeeld dat uit de onderzoeken geen directe oorzaak (ontstekingsbron) van de explosie naar voren is gekomen. Voor Univé dragen de onderzoeksresultaten bij aan het aanpassen van clausules voor het voorkomen van stalbranden/explosies in het algemeen en het beperken van het risico tijdens mestmixen in stallen in het bijzonder. Hierover vindt nog afstemming plaats met andere verzekeraars. Univé verwacht dat zij de clausules voor de zomer bekend kan maken. Het onderzoek van de Omgevingsdienst Twente zal naar verwachting openbaar beschikbaar komen. Dit zal ik u toezenden zodra dit gereed is.   5   Bent u bekend met eerdere vergelijkbare voorvallen bij een emissievrije vloer? Zo ja, wat was in die gevallen de oorzaak van de explosie?   Antwoord   Er zijn mij geen gevallen bekend van eerdere vergelijkbare voorvallen bij een emissiearme stalvloer.   6   Klopt het dat, zoals door de mestgasspecialist Jetty Middelkoop is aangegeven, er nog nooit onderzoek is gedaan naar de oorzaak van explosies? Zo ja, vindt u dat verdedigbaar? Zo nee, welke onderzoeken hebben plaatsgevonden en wat is de uitkomst hiervan?   Antwoord   Uit navraag bij deze mestspecialist blijkt dat er vaker onderzoek is gedaan naar de oorzaak van explosies, maar er is geen onderzoek gedaan naar de vraag of er bij een emissiearme stalvloer een groter explosiegevaar is. Brandweer en verzekeraar geven aan geen bewijs te hebben dat emissiearme stalvloeren gevaarlijker zijn dan andere stalvloeren.   7   Herkent u zich in het ter discussie stellen van de veiligheid van een emissievrije vloer? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?   Antwoord   Ik begrijp de emoties naar aanleiding van het trieste incident in Markelo. Een emissiearme vloer is vanuit milieu en stalklimaat een goede ontwikkeling. Daarbij is het van belang dat de vloer wel veilig is en de mestwerkzaamheden veilig kunnen gebeuren. Zie voorts het antwoord op vraag 6.   8   Deelt u de mening dat elke stalvloer ook veilig moet zijn alvorens wordt gekeken naar de emissie die er vrijkomt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wel?   Antwoord   Ik vind de veiligheid van stallen van het grootste belang. Wat betreft brandveiligheidseisen moeten stallen die gebouwd zijn na 2014 voldoen aan het Bouwbesluit. Voor oudere stallen werkt de sector samen met brandweer en verzekeraars via het Actieplan Brandveilige stallen (Kamerstuk 28286, nr. 988) om de kans op een stalbrand te verminderen. Daarnaast zijn de regels van de Arbowet van toepassing, vastgelegd in de arbo-catalogus voor melkvee en graasdieren, over onder meer mestmixen, betreden van mestkelders, las- en slijpwerkzaamheden. Er zijn naast dit incident geen aanwijzingen dat emissiearme stalvloeren als zodanig onveilig zijn.   9   Is een emissievrije afgesloten vloer met daaronder een mestkelder in de huidige vorm brand- en explosieveilig? Zo nee, waarom is de emissievrije vloer dan goedgekeurd? Zo ja, hoe valt dit te rijmen met de aanwezigheid en ophoping van licht ontvlambare, uit mest vrijkomende gassen als ammoniak en methaan in een mestkelder onder de stal?   Antwoord   Zoals ik bij antwoord 6 heb aangegeven, is er vooralsnog geen reden om aan te nemen dat emissiearme vloeren onveilig zijn. Maar ik zal in overleg gaan met betrokkenen over welke maatregelen nodig zijn voor het veilig gebruik van stalvloeren, zoals het opstellen van instructies.   10   Kunt u toelichten hoe het aspect veiligheid onderdeel is van de beoordeling van innovaties in stallen (zowel vloeren als andere innovaties) en welke instanties daarbij voor de beoordeling om advies worden gevraagd? Zo nee, waarom speelt veiligheid voor mens en dier geen rol in de beoordeling van nieuwe stalsystemen en/of vloeren?   Antwoord   De deskundigen van de Technische Advies Pool (TAP) adviseren de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij de stalbeoordeling. Naast een beoordeling van de emissiereducerende werking van het systeem vindt er een beoordeling plaats op het criterium of het systeem in de praktijk kan worden toegepast waaronder ook de veiligheidsaspecten vallen. In het onderzoek naar bijvoorbeeld alternatieve vloeren voor vleeskalveren (Livestock Research Rapport 1056) is gekeken naar de veiligheid van mens en dier specifiek op het gebied van uitglijden op de in het onderzoek opgenomen vloeren. Hiervoor is met een tribometer onderzoek gedaan naar de stroefheid van roostervloerelementen.   11   Kunt u toelichten welke instanties op welke manier de veiligheid en doelmatigheid (in dit geval emissievrij) van innovaties in stallen beoordelen voordat er een eindoordeel volgt van de commissie die hiervoor in het leven is geroepen?   Antwoord   De deskundigen van de TAP adviseren de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij de stalbeoordeling ten behoeve van de toekenning van emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijnstof. Bij de beoordeling van innovaties wordt gekeken naar de bescherming van het milieu tegen de gevolgen van de emissie van ammoniak, geur en fijnstof, de praktische toepasbaarheid, de controle op de werking van het systeem en de bemeetbaarheid. Bij deze beoordeling zullen de deskundigen als daar aanleiding voor is ook veiligheidsaspecten naar voren brengen als onderdeel van het beoordelen van de praktische toepasbaarheid.   12   Heeft u inzicht of nieuwe stalsystemen en/of (emissievrije) vloeren de oorzaak kunnen zijn van stalbranden? Zo ja, wat is uw inzicht? Zo nee, bent u bereid om hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord   Ik heb geen signalen ontvangen dat nieuwe stalsystemen en/of (emissievrije) vloeren op zichzelf oorzaken van stalbranden zijn. Wel is bekend dat gassen in de mestkelders gevaarlijk kunnen zijn voor mens en dier, zeker op het moment van in beweging brengen van de mest. Ook is bekend dat onderhoudswerk in stallen gevaar kan opleveren. Bij onvoldoende ventilatie is er brandgevaar door de aanwezigheid van ontvlambare mestgassen. Dit geldt voor alle stalsystemen en vloeren en niet alleen specifiek voor emissiearme systemen en vloeren. In de bijeenkomsten over brandveilige bedrijfsvoering, onderdeel van het door LTO Nederland, Brandweer Nederland, Dierenbescherming, en het Verbond van Verzekeraars opgestelde actieplan Brandveilige veestallen 2018 – 2022 (Kamerstuk 28296, nr. 988), is er veel aandacht voor risicovolle werkzaamheden die kunnen leiden tot stalbranden. Zie voorts het antwoord op de vragen 6 en 11.   13   Klopt het dat volgens verschillende deskundigen alternatieven beschikbaar zijn die ervoor kunnen zorgen dat er minder gasvorming plaatsvindt in de mestkelders, zoals beluchting of bacteriemengsels? Zo ja, welke alternatieven zijn u bekend?   Antwoord   Het is mij bekend dat er behalve emissiearme vloeren ook andere emissiereducerende technieken worden getest in het kader van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) en dat deze technieken invloed kunnen hebben op de gasvorming. Voor deze technieken zijn echter nog geen voorlopige dan wel definitieve emissiefactoren opgenomen in de Rav en vanwege het vertrouwelijke karakter van de beoordelingsprocedure kan daarover geen informatie naar buiten worden gebracht.   14   Kunt u aangeven waarom u terughoudend bent om deze alternatieven toe te staan, welke wetenschappelijke analyse eraan ten grondslag ligt om deze alternatieven niet toe te staan en wilt u deze wetenschappelijke analyse met de Kamer delen?   Antwoord   De terughoudendheid om sommige technieken al voor de beoordeling van de meetresultaten uit proefstallen toe te staan – met een voorlopige emissiefactor – komt voort uit het feit dat van deze technieken het emissiereducerende principe niet vooraf kan worden onderbouwd. Mocht het werkingsprincipe tussentijds door een fabrikant worden aangetoond aan de hand van voorlopige meetresultaten, dan kan alsnog een voorlopige emissiefactor worden verkregen.   15   Klopt het dat innovaties weinig van de grond komen?   Antwoord   Er lopen diverse innovatietrajecten in de veehouderijsectoren. Concreet voor de melkveehouderij met betrekking tot ammoniak zijn er sinds juli 2018 met de publicatie van voorlopige emissiefactoren in de Rav vier nieuwe emissie-arme systemen beschikbaar gekomen. In de reactie op het rapport van de commissie Biesheuvel over geurhinder van veehouderij heeft de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat mede namens mij aangeven dat ze het van belang vindt dat innovatieve technieken snel een plek kunnen krijgen. In de definitieve beleidsreactie zal zij daarom terugkomen op een planning en aanpak van de gehele systematiek van de stalbeoordeling.   16   Herinnert u zich eerdere Kamervragen van de leden Ziengs en Lodders over de Regeling ammoniak en veehouderij, waarin zij aangeven zich zorgen te maken over de beoordeling van nieuwe (innovatieve) stalsystemen?   Antwoord   Ja, deze vragen zijn in de kamerbrief van 3 december 2018 beantwoord door de staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat mede namens mij (Aanhangsel Handelingen 2018/19, nr. 832).   17   Kunt u aangeven welke acties u hierop heeft uitgezet en kunt u bevestigen dat (nieuwe) innovatieve ideeën nu wel een eerlijke kans krijgen in de beoordeling? Zo ja, waaruit blijkt dat?   Antwoord   Zoals in de brief van 3 december 2018 is aangegeven richt de beoordeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de advisering van de deskundigen van de TAP zich primair op het erkennen en stimuleren van de ontwikkeling van innovatieve emissiearme technologieën. RVO.nl is in 2018 begonnen om partijen op weg te helpen met quick scans, waarbij RVO.nl met name voor nieuwe aanvragers informatie verschaft over de beoordelingsprocedures, de regelgeving en subsidiemogelijkheden. De belemmeringen en mogelijke oplossingsrichtingen zijn eind 2018 besproken in de Werkgroep stalbeoordeling. Daarnaast wordt in het kader van het Innovatie- en versnellingsprogramma brongerichte verduurzaming van varkensstallen (Hoofdlijnenakkoord sanering en verduurzaming varkenshouderij (Kamerstuk 28973, nr. 200)) met sectorpartijen en provincie Noord-Brabant overleg gevoerd over verbeteringen bij de stalbeoordeling. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat zal uw Kamer binnenkort informeren over de acties die zijn uitgezet op basis van beide overleggen.   18   Kunt u de vragen een voor een beantwoorden?   Antwoord Ja.  
  Datum: 27 mei 2019   Nr: 2019D21790   Indiener: C.J. Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Karabulut over het gebruik van chroom-6 houdende verf bij de krijgsmacht

Vragen van het lid Karabulut (SP) over het gebruik van chroom-6 houdende verf bij de krijgsmacht   Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen van het lid Karabulut over het gebruik van chroom-6 houdende verf bij de krijgsmacht. Deze vragen werden ingezonden op 18 april 2019.   DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE,   Drs. B. Visser   Antwoorden op vragen van lid Karabulut (SP) aan de staatssecretaris van Defensie over het gebruik van chroom-6 houdende verf bij de krijgsmacht (ingezonden 18 april 2019, kenmerk 2019Z08104)   1   Klopt het naar uw oordeel dat de inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een hard oordeel heeft geveld over de praktijk van het gebruik van chroom-6 bij de diverse onderdelen van de krijgsmacht? 1) Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de maatregelen die u onderneemt om aan de aanbevelingen van de inspectie tegemoet te komen? Kunt u dat toelichten?   7   Wanneer komt u met een plan van aanpak om het werken met giftige stoffen te beëindigen? Bent u bereid dat plan van aanpak met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?   De Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Inspectie SZW) heeft bij Defensie inspecties uitgevoerd op drie locaties: bij het Logistiek Centrum Woensdrecht (LCW), bij de Mechanische Centrale Werkplaats in Leusden en bij de Koninklijke Marine in Den Helder. De Inspectie heeft een aantal overtredingen geconstateerd en ze heeft op 15 april 2019 een vervolgbezoek gebracht aan het LCW naar aanleiding van de constateringen uit het rapport van december 2018. Daarmee is het nog een lopend traject.   De belangrijkste geconstateerde overtredingen van de Inspectie SZW betreffen:   Onvoldoende discipline bij en toezicht op veilig werken (zogenoemde hygiëne: eten op werkplek, etikettering, supervisie, gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen, etc.);   De inspanningen voor de vervanging van carcinogene, mutagene en reproductietoxische (CMR)-stoffen zijn niet voldoende aangetoond;   De inventarisatie van CMR-stoffen is niet op orde (welke stoffen, welke bewerkingen, aard blootstelling);   De risicobeoordeling van CMR-stoffen is onvoldoende (de mate en duur blootstelling);   Het preventief medisch onderzoek wordt niet uitgevoerd.   De gedane constateringen staan niet ter discussie. De Inspectie SZW houdt ons scherp en wijst ons op onze verantwoordelijkheden. Uiteraard trekken we ons de overtredingen aan, willen we deze oplossen en in de toekomst voorkomen. Niettemin waren ze ook voor een deel te verwachten (met uitzondering van de zogenoemde hygiëne). Dit omdat Defensie zich namelijk momenteel in een intensief verbetertraject bevindt, zoals ook opgenomen in het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ (35 000 X, nr. 70). Dat traject is niet alleen noodzakelijk, maar ook omvangrijk en ambitieus. Het traject is in ontwikkeling, waarbij stap voor stap verbeteringen worden doorgevoerd, gericht op het toepassen van de arbeidshygiënische strategie (via A. substitutie, B. technische maatregelen, C. organisatorische maatregelen, D. persoonlijke beschermingsmaatregelen).   Ik onderstreep dat juist ten aanzien van het werken met chroom-6 de laatste jaren bij Defensie veel metingen zijn uitgevoerd, ook om de kwaliteit van de (persoonlijke) beschermingsmiddelen te valideren. Maar Defensie is er nog niet, zoals verwoord in het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ en dat is de reden dat de komende jaren met prioriteit een inhaalslag wordt gemaakt. De consequentie daarvan is wel dat ook bij toekomstige inspecties niet kan worden uitgesloten dat de Inspectie SZW dergelijke bevindingen blijft doen. Dat is onbevredigend en Defensie neemt dan ook passende (tijdelijke) mitigerende maatregelen (zoals afzuiging, aparte voorbewerkingsruimtes en persoonlijke bescherming) om blootstelling boven de grenswaarden te voorkomen. Defensie heeft in 2018 onder andere onderzoek laten uitvoeren door de interne arbodienst Coördinatiecentrum Expertise Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG). Uit het CEAG-rapport blijkt dat afdoende maatregelen worden genomen om veilig te kunnen werken. Daarnaast moet het genoemde verbetertraject leiden tot meer structurele borging van de gezondheid en veiligheid van het personeel. De kern hierbij is dat er structureel veilig wordt gewerkt waarbij het doel is hoger te komen in de arbeidshygiënische strategie.   Ad 1. Het formele werkgeverschap van de minister van Defensie als centrale werkgever is in Defensie grotendeels gemandateerd aan de commandanten van de zelfstandige eenheden op het niveau van bataljon, bedrijf, vliegbasis etc. Zij zijn de zogenoemde ‘decentrale werkgever’ en zij zijn verantwoordelijk voor het veilig en gezond werken op onder andere bovengenoemde locaties in Woensdrecht, Leusden en Den Helder. De verantwoordelijkheid voor het veilig werken, inclusief het correcte gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, is dan ook een zaak van deze lokale commandant. Ook het initiatief om voorzieningen aan te laten passen ligt bij de commandant. De gedane constateringen zijn voor Defensie aanleiding geweest om commandanten nog een keer nadrukkelijk te wijzen op hun verantwoordelijkheden. Dit wordt ondersteund door communicatie vanuit de Directie Veiligheid. Het menselijk handelen blijft echter altijd van belang en vraagt continue aandacht.   Ad 2. Het betreft de inspanningsverplichting om te zoeken naar alternatieve, minder gevaarlijke bedrijfsstoffen. Dit is onderdeel van de arbeidshygiënische strategie uit de ARBO-wetgeving en aan dit continue proces conformeert Defensie zich, zoals ook verwoord in het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’. Defensie heeft hiervoor bij de Defensie Materieel Organisatie (DMO) een defensiebreed werkend kenniscentrum brand- en bedrijfsstoffen ingericht met hoogwaardige chemisch-technologische expertise die deze verplichting voor Defensie als geheel uitvoert, in nauw overleg met leveranciers van stoffen en fabrikanten van de wapensystemen. Maar omdat het vervangen van CMR-stoffen bij Defensie niet op lokaal niveau gebeurt, konden de inspecteurs bij de gehouden inspecties de Defensie-inspanningen in dezen niet vaststellen. Daar dit ook bij toekomstige inspecties zo zal zijn, is inmiddels in overleg getreden met de Inspectie SZW.   Ad 3 en 4. De inventarisaties en risicobeoordelingen van gevaarlijke stoffen zijn thans in uitvoering onder de naam ‘Nadere Inventarisatie Gevaarlijke Stoffen’ (NIGS) en ze zijn een onderdeel van het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ (deadline eind 2020). Defensie volgt hierbij het 4-stappenmodel van de Inspectie SZW en gebruikt de applicatie ‘Stoffenmanager’. Het gaat hierbij om ongeveer 5.000 bedrijfsstoffen, waarvan ongeveer 250 stoffen zijn geclassificeerd als carcinogeen of mutageen en ongeveer 670 als reprotoxisch. Met veel van deze stoffen wordt op een groot aantal plaatsen diverse bewerkingen uitgevoerd. Het uitvoeren van het complete NIGS-programma is dus een langjarige inspanning. De prioriteit ligt daarbij op achtereenvolgens chroom-6, overige geëtiketteerde CMR-stoffen en tenslotte de blootstellingen aan ‘stoffen zonder eigenaar’ (zoals door verbrandingsprocessen). Op de locaties waar aan chroom-houdend materieel wordt gewerkt, zijn inmiddels blootstellingsbeoordelingen uitgevoerd door de arbeidshygiënisten van de interne arbodienst van Defensie, het Coördinatie en Expertisecentrum Arbeidsomstandigheden en Gezondheid (CEAG). Deze beoordelingen zijn vastgelegd in rapportages, maar deze zijn echter nog niet allemaal vastgelegd in de Stoffenmanager, wat de Inspectie SZW ook terecht heeft geconstateerd. Zoals hierboven gemeld, zal dit eind 2020 zijn voltooid.   Ad 5. Het betreft het niet kunnen aantonen dat medewerkers in de gelegenheid worden gesteld een Preventief Medisch Onderzoek (PMO) te ondergaan. Ook dit is een onderdeel van het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ en hier is sprake van een verbetertraject. Duidelijk is dat Defensie in het verleden onvoldoende capaciteit beschikbaar had voor een deugdelijk en structureel PMO. Daarom zijn inmiddels maatregelen genomen waardoor het CEAG, dat de PMO’s uitvoert, beter wordt geëquipeerd (mensen en middelen) deze defensiebrede taak uit te voeren. Een aantal medewerkers van Leusden, Woensdrecht en Den Helder heeft de afgelopen twee jaar inmiddels een PMO ondergaan. Voor 2019 staat een hele serie PMO’s gepland op diverse locaties in samenwerking met de decentrale werkgevers. Echter, omdat ook hier sprake is van een inhaalslag, kunnen ook ten aanzien van PMO’s bij komende inspecties omissies niet worden uitgesloten.   De planning is vooralsnog om eind 2020 de in het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ genoemde maatregelen en daarmee de gedane constateringen opgelost te hebben. De in dit plan genoemde infrastructurele aanpassingen voor de Afdeling Techniek van de Mechanische Centrale Werkplaats in Leusden (gereed 2021) en het onderzoek naar het toepassen van spuitrobots (gereed 2022) vergen echter meer tijd. Bij de begroting wordt u over de voortgang geïnformeerd.   2   Deelt u de conclusie dat de bevindingen van de inspectie, die gedaan zijn na publicatie van het RIVM-rapport in juni 2018, een bewijs zijn van de nalatigheid bij de diverse krijgsmachtonderdelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u daaraan een einde maken?   We hebben dat als Defensie inderdaad niet goed gedaan. Veilig werken met chroom-6 is voor mij een prioriteit. De basis – het creëren van de randvoorwaarden zoals voorzieningen en het opstellen en actualiseren van protocollen en procedures om veilig te kunnen werken - is gelegd. Defensie heeft met het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ als doel om hoger te komen in de arbeidshygiënische strategie. Ondertussen wordt veilig gewerkt met behulp van verschillende maatregelen de komende jaren, zoals het gebruik van goede persoonlijke beschermingsmaatregelen.   Zolang het werken met chroom-6 nog niet helemaal kan worden uitgesloten (door substitutie), zolang we vooral afhankelijk zijn van het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmaatregelen en totdat het verbetertraject tot structurele verbeteringen heeft geleid, zijn incidenten niet helemaal uit te sluiten. Voor mij is het belangrijk dat wij hier open over zijn en maximaal inzetten op het verbetertraject.   3   Welke maatregelen neemt u om de controle op de praktijk van het werken met chroom-6 bij alle krijgsmachtonderdelen te verscherpen? Kunt u dat toelichten?   Zie het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ (35 000 X, nr. 70). De Directie Veiligheid voert de regie op de in het plan van aanpak genoemde maatregelen zoals de reeds genoemde NIGS of de ontwikkeling van een e-learning module “veilig werken met chroom-6”. Er is overleg met de Inspectie SZW over deze problematiek. De in 2018 opgerichte Inspectie Veiligheid Defensie (IVD) heeft een onafhankelijke positie en houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering en de naleving van wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid. De Inspectie SZW heeft uiteraard een eigen controlerende taak.   4   Deelt u de conclusie van de leiding van de luchtmachtbasis Woensdrecht dat zes van de zeven klachten voldoende zijn afgehandeld? Deelt de inspectie deze conclusie? Zo nee, waarom niet?   5   Kunt u toelichten hoe het is gesteld met de verwerking van de klachten onder punt 2 van het inspectierapport over Woensdrecht, daar de termijn nog niet verlopen lijkt?   Dit is een lopend traject waarover ik geen uitspraak kan doen.   6   Kunt u uiteenzetten wat de ‘road to zero’ die door de inspectie is opgemerkt precies inhoudt?   De Inspectie SZW richt zich op het verminderen van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Er wordt door de Inspectie prioriteit gegeven aan kankerverwekkende stoffen die een grote impact hebben. Chroom-6 is een stof die grote gezondheidsschade kan toebrengen. Het motto van de Inspectie SZW hierbij luidt: ‘road to zero’: zorgen dat de blootstelling aan deze stof zo laag is dat er geen gezondheidseffecten optreden. Inspecteurs controleren of bedrijven die met chroom-6 werken alternatieve processen kiezen of maatregelen nemen om de blootstelling zo laag mogelijk te houden. Zie ook het jaarverslag van de Inspectie SZW over 2018 (van 7 mei 2019, 35 000 XV, nr. 91).   Defensie sluit met het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’ aan bij dit motto met het zoveel mogelijk uitbannen van chroom-6 en overige CMR-stoffen. Via onder andere organisatorische, technische en persoonlijke beschermingsmaatregelen wordt de kans op blootstelling teruggedrongen. Defensie streeft naar het stofvrij werken.   8   Waarom wordt geen gebruik gemaakt van chroom-6-vrije verf die al beschikbaar is? Wanneer beëindigt u het werken met chroom-6 bij de krijgsmacht? Kunt u dat toelichten?   Samen met andere overheden, branchepartijen en een aantal grote opdrachtgevers, streeft Defensie ernaar dat chroom-6 waar dat kan altijd wordt vervangen door een alternatief dat niet of minder schadelijk is voor de gezondheid. Toepassen van chroom-6 is alleen nog toegestaan wanneer daar onder de EU-verordening Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen (REACH) een autorisatie voor is afgegeven of waarvan een aanvraag voor gebruik nog in behandeling is (zie ook de brief van de minister voor Medische Zorg en Sport en de staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 2018, 35 000 XVI, 35 000 XV nr. 119). Defensie volgt hierbij een actief beleid om chroom-6 uit te bannen op grond van REACH. Waar dit niet mogelijk is, worden maatregelen toegepast ter bescherming (zie het plan van aanpak ‘Beheersing Chroom-6’). Defensie en bovengenoemde partijen blijven dus de komende jaren geconfronteerd met de aanwezigheid van chroom-6, omdat niet altijd gecertificeerde chroomvrije alternatieven beschikbaar zijn en chroom-6 is verwerkt in materiaal en vastgoed. Tot op heden blijkt dat een sluitende inventarisatie van alle materialen waar chroom-6 vrijkomt of vrij kan komen in de toekomst helaas niet mogelijk is (zie ook de brieven van de minister voor Medische Zorg en Sport en de staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 september 2018, 34 775 XVI, 34 775 XV nr. 152 en van 21 december 2018, 35 000 XVI, 35 000 XV nr. 119). Het snel afstappen van het werken met chroom-6 is daarom nog niet mogelijk. Veilig werken met de gevaarlijke stof is dat wel, zie het antwoord op vraag 2.   Het uitgangspunt voor Defensie is het actief uitbannen van chroom-6. Over het terugdringen van chroom-6 houdende verf bij luchtvaartsystemen heb ik u geïnformeerd. Dit heeft geleid tot diverse gecertificeerde oplossingen per luchtvaartsysteem (zie ook Kamerbrief 35 000 X, nr. 70 van 4 december 2018).   1) ‘Inspectie tikt Defensie op de vingers voor omgang gevaarlijke stoffen’, Nieuwsuur, NPO2, 12 april 2019, https://nos.nl/nieuwsuuartikel/2280157-inspectie-tikt-defensie-op-de- vingers-voor-omgang-gevaarlijke-stoffen.html.  
  Datum: 24 mei 2019   Nr: 2019D21628   Indiener: B. Visser, staatssecretaris van Defensie   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van lid Kops over achterblijvende woningbouwplannen

Vragen van het lid Kops (PVV) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over achterblijvende woningbouwplannen. (ingezonden 14 mei 2019)   1. Kent u het bericht 'Nog te weinig woningbouwplannen om tekort terug te dringen'? 1)   Antwoord:   Ja.   2. Onderschrijft u de conclusie van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) dat er momenteel nog te weinig concrete bouwplannen zijn om de komende vijf jaar het tekort op de woningmarkt terug te dringen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord:   De totale plancapaciteit is de komende vijf jaar voldoende om het woningtekort terug te dringen. Een deel van deze plancapaciteit zal echter nog hard gemaakt moeten worden. De conclusie van het EIB kan ik daarom onderschrijven als het gaat om het landelijke totaalbeeld. Het beeld verschilt echter per regio en per provincie. Een aantal provincies en stedelijke regio’s hebben wel voldoen harde plannen. Binnenkort zend ik met de Staat van de Volkshuisvesting de meest recente cijfers over de beschikbare plancapaciteit aan de Kamer. Daarbij zal ik ook inhoudelijk dieper ingaan op deze cijfers.   Met 74.000 woningen is in het afgelopen jaar de ambitie uit de Nationale Woonagenda bijna bereikt. Maar om het woningtekort daadwerkelijk terug te dringen is het nodig dat de bouwproductie ook de komende jaren op een hoog niveau blijft. Daarvoor is het cruciaal dat gemeenten in samenwerking met provincies zorgen voor voldoende nieuwe plannen, die ook tijdig te realiseren zijn, vooral in de regio’s met grote tekorten. De mate waarin plannen hard zijn zegt daarbij niet altijd voldoende over de vraag of een regio voldoende en snel genoeg kan bouwen. Soms liggen harde plannen waarvoor het bestemmingsplan al gereed is jaren op de plank, terwijl andere zachte plannen juist heel snel te realiseren zijn. Gemeenten zullen de kwaliteit van de bouwplannen daarom moeten monitoren en in samenwerking met provincies en marktpartijen moeten bezien hoe de plancapaciteit effectief kan worden omgezet in woningproductie.   3. Deelt u de mening dat de door u gesloten Nationale Woonagenda nu al heeft gefaald, aangezien de daarin afgesproken nieuwbouwproductie van 75.000 woningen per jaar de afgelopen jaren niet is gehaald? Deelt u de mening dat uw aanpak van ‘vooral veel praten en vergaderen’ niet heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?   Antwoord:   De gezamenlijke ambitie in de Nationale Woonagenda van betrokken stakeholders om 75.000 woningen per jaar te bouwen is vastgesteld in mei 2018, omdat in de voorgaande jaren steeds te weinig was gebouwd om de groei van de woningbehoefte bij te houden. Daarmee liep het woningtekort steeds verder op. Helaas kunnen de partijen die de Woonagenda een jaar geleden ondertekenden niet met terugwerkende kracht de bouwproductie in de voorgaande jaren verhogen, maar we hebben deze ambitie vastgesteld om de komende jaren er alles aan te doen om de bouwproductie hoog te houden. Ik verwacht dat elke partij daarbij zijn verantwoordelijkheid neemt en spreek ze daar waar nodig ook op aan.   4. Hoe kan het dat er, in tijden van enorme woningnood, momenteel ‘slechts’ 300.000 nieuwe woningen voor de periode 2019-2024 in bestemmingsplannen zijn opgenomen? Wat is hier de oorzaak van? Hoe gaat u dit aantal omhoog brengen naar de vereiste 450.000? Wat gaat u daarbij doen aan gemeenten die alleen binnenstedelijk en niet buitenstedelijk willen bouwen?   Antwoord:   Om de bouwproductie hoog te houden is het cruciaal dat gemeenten in samenwerking met provincies zorgen voor voldoende bouwplannen, die ook tijdig haalbaar zijn. Om de nieuwe woningen tijdig te realiseren moeten ze uiteraard ook tijdig in bestemmingsplannen zijn vastgelegd. Zowel het te laat als te snel vastleggen van bouwplannen in bestemmingsplannen kan de bouwproductie vertragen. Om tijdig te bouwen moeten de nodige procedures zijn afgerond. Maar als plannen te lang van tevoren al vastliggen, kan de behoefte in de tussentijd veranderen, waardoor plannen moeten worden aangepast. Het opnieuw moeten doorlopen van de bestemmingsprocedure kost ook veel extra tijd. Het is dus belangrijk dat gemeenten voldoende vooruitziend maar ook voldoende flexibel zijn in hun planning voor veranderende behoeftes.   In een aantal regio’s is de vooruitgang van de bouwplannen voor de toekomst een punt van zorg. Ik ondersteun regio’s in de vorming van voldoende haalbare bouwplannen waar dat kan binnen mijn mogelijkheden en middelen. Dat doe ik bijvoorbeeld binnen de woondeals die ik heb gesloten of beoog te sluiten met de regio’s waar de grootste bouwopgave ligt, maar ook met de inzet van het expertteam woningbouw op landelijk niveau. Maar de belangrijkste verantwoordelijkheden en mogelijkheden liggen bij provincies en gemeenten, en ik verwacht dat ze die handschoen oppakken. Voor mij staat voorop dat er op regionaal niveau voldoende plannen liggen om tijdig voldoende te bouwen voor de behoefte en om tekorten terug te dringen. Wanneer dat binnenstedelijk niet kan moeten gemeenten en provincies ook kijken naar mogelijkheden buiten de bestaande stad. Waar nodig spreek ik ze daarop aan.   5. Kunt u zich herinneren dat u op eerdere Kamervragen ten aanzien van binnen- en buitenstedelijke bouw hebt geantwoord: “In de gesprekken die ik voer met decentrale overheden ervaar ik een gezamenlijk gevoel van urgentie om de bouwproductie te versnellen en een constructieve opstelling om de plancapaciteit te vergroten”? 2) Deelt u de mening dat er van die ‘versnelde bouwproductie’ in de praktijk niets terechtkomt? Onderschrijft u de conclusie van het EIB dat gemeenten te veel binnenstedelijke woningbouw hebben gepland en dat daarmee het ‘risico op vertraging’ groter is? Zo nee, waarom niet?   Antwoord:   Nee, die mening deel ik niet. In de afgelopen jaren is de bouwproductie flink gestegen, en in 2018 is het niveau van 75.000 dat in de Nationale Woonagenda is vastgesteld bijna bereikt. Het EIB onderschrijft deze ambitie eveneens. Daarmee zijn we er natuurlijk nog lang niet, en ik deel de conclusie van het EIB in zoverre dat het hoog houden van de bouwproductie in de komende jaren extra inzet van alle betrokken partijen zal vergen. Zoals gezegd is het nodig dat er voldoende nieuwe plannen klaarliggen die tijdelijk haalbaar zijn.   Er is zeker sprake van een risico dat het hoog houden van de bouwproductie niet gaat lukken als partijen zich onvoldoende inzetten of onvoldoende samenwerken. De directe link met de binnen- of buitenstedelijke locatie van bouwplannen erken ik niet. Zowel binnen- als buitenstedelijke locaties kennen hun eigen uitdagingen. Op binnenstedelijke locaties kan de inpassing binnen de bestaande bebouwing ingewikkeld zijn. Op buitenstedelijke locaties kunnen de benodigde publieke investeringen van gemeenten, provincies en het Rijk aan de voorkant hoger zijn, omdat bijvoorbeeld de infrastructuur nog ontbreekt. Daarmee zijn buitenstedelijke locaties ook lang niet altijd sneller te ontwikkelen dan binnenstedelijke locaties. Waar het om gaat is dat de totale planvoorraad in een regio voldoende is om tijdig te bouwen voor de groei van de behoefte, en om tekorten terug te dringen. Welke mix van binnen- en buitenstedelijke locaties daarvoor nodig is zal per regio verschillen.   6. Deelt u de conclusie van het EIB dat bouwplannen te duur worden en vertraging oplopen doordat provincies en gemeenten ‘strengere duurzaamheidseisen aan woningbouw stellen dan nationaal gelden’? Deelt u de mening dat deze overheden simpelweg moeten zorgen voor voldoende woningen in plaats van hun eigen duurzaamheidsagenda uit te rollen? Bent u ertoe bereid deze losgeslagen overheden terug te fluiten en de duurzaamheidseisen te schrappen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord:   Provincies en gemeenten die een eigen duurzaamheidsagenda maken, nemen naar mijn oordeel hun verantwoordelijkheid, hetgeen toe te juichen is en zeker niet moet worden omschreven als losgeslagen. Ik ga er vanuit dat zij alle daarbij betrokken belangen meewegen, dus ook de eventuele gevolgen voor de nieuwbouwproductie. Daar komt nog bij dat de juridische ruimte voor provincies en gemeenten om strengere duurzaamheidseisen aan nieuwe woningen te stellen, beperkt is. De landelijke bouwregels van het Bouwbesluit 2012 bieden geen ruimte voor het stellen van strengere eisen. Uitzondering daarop is dat een gemeente gebruik kan maken van de experimenteermogelijkheden van de Crisis- en herstelwet, waarbij zo nodig van landelijke regels kan worden afgeweken. Toepassing van die mogelijkheden is slechts aan de orde voor zover de gemeente daarvoor bij algemene maatregel van bestuur vooraf toestemming heeft gekregen. Zo’n algemene maatregel van bestuur komt tot stand via een zorgvuldige procedure (bestuurlijke en publieke internetconsultatie, behandeling in ministerraad, voorhang bij Tweede en Eerste Kamer, advies van de Raad van State), waarin alle betrokken belangen worden meegewogen. Als een gemeente dus al strengere eisen dan de landelijke eisen van het Bouwbesluit 2012 stelt, is dat met voorafgaande toestemming van de Kroon. Al met al acht ik het risico dat woningbouwplannen door de provinciale of gemeentelijke duurzaamheidsagenda te duur worden en vertraagd raken, klein en aanvaardbaar. Immers hebben voor mij zowel de bouwopgave als de verduurzamingsopgave grote prioriteit.   1) https://fd.nl/ondernemen/1300720/nog-te-weinig-woningbouwplannen-om-tekort-terug-te-dringen   2) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 527
  Datum: 29 mei 2019   Nr: 2019D22294   Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Bergkamp over hoe de vergoeding en het leveren van palliatieve (terminale) zorg nog altijd niet goed loopt

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Bergkamp (D66) over hoe de vergoeding en het leveren van palliatieve (terminale) zorg nog altijd niet goed loopt. (ingezonden 3 april 2019) (2019Z06592).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Bergkamp (D66) over hoe de vergoeding en het leveren van palliatieve (terminale) zorg nog altijd niet goed loopt. (ingezonden 3 april 2019). (2019Z06592)   1   Bent u bekend met het bericht ‘Noodzakelijke terminale zorg door verzekeraar niet altijd vergoed’? 1)   1.   Ja.   2   Hoe kan het dat de palliatieve (terminale) zorg, naar aanleiding van een door een wijkverpleegkundige professioneel opgestelde indicatie, nog altijd niet volledig wordt vergoed?   2.   Als de palliatieve zorg verleend wordt door een gecontracteerde aanbieder (ca 93% van de totale kosten wijkverpleging), is deze altijd volledig vergoed. Als de palliatieve zorg verleend wordt door een niet-gecontracteerde aanbieder, is de vergoeding van de zorg door de zorgverzekeraar aan de aanbieder lager dan bij gecontracteerde zorg conform artikel 13 van de Zorgverzekeringswet.   3   Deelt u de mening dat er juist in deze laatste emotionele periode van iemand haar of zijn leven, zowel voor de persoon zelf als voor de familieleden, er geen discussie moet zijn over de (vergoeding van de) juiste zorg op het juiste moment?   3.   Ik betreur het als het afscheid van een stervende wordt verzwaard door financiële of administratieve beslommeringen. Dit kan echter voorkomen worden door gebruik te maken van een zorgaanbieder die door de zorgverzekeraar is gecontracteerd. Er zijn dan geen financiële of administratieve drempels voor zorggebruik en er is geen discussie over de vergoeding van de zorg. Daarom vind ik het zo belangrijk dat dat zorgverzekeraars en aanbieders een contract sluiten (zie ook de brief ‘bevorderen contracteren’ van 9 november 2018, Kamerstuk 29689 nr. 941). Dit geldt in het bijzonder voor aanbieders van palliatieve terminale zorg.   4   Zijn er wachtlijsten voor gecontracteerde palliatieve (terminale) zorg? Zo ja, is dat de reden dat het vaak niet anders kan dat ongecontracteerde palliatieve (terminale) zorg wordt ingezet?   4.   Voor de wijkverpleging is er geen wachttijdregistratie. De NZa heeft daarom recent een aanvullend onderzoek laten uitvoeren om meer inzicht te krijgen in de toegankelijkheid van de wijkverpleging. Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat wanneer een zorgaanbieder is gevonden, de wijkverpleegkundige zorg over het algemeen binnen enkele dagen wordt verleend; de Treeknorm wordt nagenoeg altijd behaald. De wachttijd bij gecontracteerde palliatieve terminale zorg is kort: gemiddeld wordt na 1,2 dag gestart met het verlenen van de zorg. Daarmee is voor palliatieve terminale zorg de wachttijd kleiner dan gemiddeld voor wijkverpleegkundige zorg. Deze cijfers suggereren dat in het algemeen de toegankelijkheid van de gecontracteerde palliatieve terminale zorg geborgd is. Dat betekent overigens niet dat er geen problemen zijn. Het vinden van een aanbieder kan voor verwijzers, cliënten en mantelzorgers tegenvallen. Belangrijke redenen zijn de arbeidsmarktproblematiek en de versnippering van het zorgaanbod. Teveel verzekerden, maar ook zorgaanbieders, hebben geen weet van de mogelijkheid van zorgbemiddeling door de zorgverzekeraar of maken niet van deze mogelijkheid gebruik. De zorgverzekeraar kan, als het vinden van een aanbieder niet lukt, de verzekerde bemiddelen naar een gecontracteerde aanbieder die de zorg kan verlenen. De NZa concludeert dat zorgverzekeraars hun verzekerden beter kunnen informeren over de mogelijkheden van zorgbemiddeling door de zorgverzekeraar. In de begeleidende brief bij dit onderzoek van de NZa heb ik benadrukt dat ik het eens ben met deze conclusie van de NZa.   5   Deelt u de mening dat het voor de patiënt niet uit zou mogen maken of iemand gecontracteerde of ongecontracteerde palliatieve (terminale) zorg ontvangt voor wat betreft de juiste zorg op het juiste moment?   5.   Ik deel de mening dat iedere cliënt palliatieve terminale zorg dient te ontvangen als dat nodig is. Ik deel de mening niet dat het daarbij niet uitmaakt of het gecontracteerde of niet-gecontracteerde zorg is. Bij gecontracteerde zorg zijn er geen issues wat betreft lagere vergoeding van de zorg, eventuele bijbetalingen door de verzekerde of diens familie, en hoeft er niet gewacht te worden op goedkeuring van een machtiging. Bij niet-gecontracteerde zorg zijn deze issues er wel. De verzekerde kan dus beter kiezen voor gecontacteerde zorg.   6   Kan palliatieve (terminale) zorg meteen worden gestart ongeacht of deze gecontracteerd of ongecontracteerd geleverd wordt, zonder dat de zorgaanbieder of de nabestaanden achteraf problemen krijgt met vergoeding door de zorgverzekeraar?   6.   Met het overgrote deel van de zorgverleners zijn door zorgverzekeraars afspraken gemaakt over onder meer kwaliteit en doelmatigheid. Deze gecontracteerde palliatieve (terminale) zorg kan meteen gestart worden. Zorgverzekeraars hanteren in toenemende mate een machtigingenbeleid voor niet-gecontracteerde zorg. Machtigingen kunnen nodig zijn om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de zorg te bewaken. Het vragen van een machtiging is een van de maatregelen die zorgverzekeraars nemen om de contractering in de wijkverpleging te bevorderen. Zorgverzekeraars mogen deze eis stellen; ook in het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging 2019-2022 is het gebruik van machtigingen bekrachtigd om gepast gebruik in de zorg te bevorderen, gezien uit onderzoek is gebleken dat niet-gecontracteerde zorgaanbieders onverklaard veel meer zorg inzetten dan gecontracteerde aanbieders. De palliatieve terminale zorg mag gestart worden voordat een machtiging is afgegeven. Totdat de machtiging wordt afgegeven is er dan echter geen zekerheid of deze zorg (volledig) vergoed wordt door de zorgverzekeraar. Bij palliatieve terminale zorg moet de machtigingsprocedure zo kort mogelijk zijn om werkbaar te zijn. Zorgverzekeraars hebben de procedure zo ingericht – en waar nodig aangepast – dat een snelle beoordeling van de machtiging mogelijk is (voorbeelden zijn indiening via internet en telefonische goedkeuring, vooruitlopend op de formele goedkeuring), zodat de palliatieve (terminale) zorg zo snel mogelijk kan starten.   7   Wordt de afspraak over second opinion uit het Hoofdlijnakkoord Wijkverpleging 2) netjes uitgevoerd? Zo ja, hoe verklaart u de signalen uit het artikel dat zorg eenvoudigweg wordt afgewezen zonder opgaaf van reden door de zorgverzekeraar? Zo nee, op welke wijze gaat u er zorg voor dragen dat alle partijen zich houden aan het Hoofdlijnakkoord Wijkverpleging?   7.   De betreffende afspraak uit het Hoofdlijnakkoord luidt: bij niet-gecontracteerde zorg kan gebruik worden gemaakt van een second opinion, waarbij een andere partij kan worden gevraagd de indicatiestelling opnieuw te beoordelen. Dit indien er signalen zijn dat er sprake is van een niet-passende indicatie. Het gaat hier om een toets op de indicatiestelling door een andere partij. Partijen zijn op dit moment bezig om een raamwerk te ontwikkelen hoe deze maatregel uit het Hoofdlijnakkoord wijkverpleging uitgevoerd kan worden. Dit raamwerk ligt er naar verwachting in het najaar van 2019.   Niet-gecontracteerde zorg kan niet afgewezen worden door de zorgverzekeraar zonder opgaaf van redenen. Dit zou ook niet passend zijn, want de afspraak is dat de wijkverpleegkundige indiceert. Dit wordt ook door zorgverzekeraars beaamd. Wel kan een zorgverzekeraar een machtiging verplicht stellen. Voor niet-gecontracteerde zorg dient de zorgverzekeraar dezelfde normen voor rechtmatigheid en doelmatigheid te hanteren als voor gecontracteerde zorg.   V&VN en ZN zijn momenteel constructief met elkaar in gesprek om de afspraken over het verder professionaliseren van de indicatiestelling na te komen. Mochten deze twee partijen daarbij onvoldoende voortgang boeken, dan wordt dit aan de orde gesteld in het bestuurlijk overleg wijkverpleging. Dat is het gremium waar de zeven HLA partijen wijkverpleging gezamenlijk de voortgang van de HLA afspraken bewaken.   8   Klopt het dat er “onduidelijkheden zijn wat betreft de term 24 uurs zorg”, zoals Zorgverzekeraars Nederland stelt in het artikel? Zo ja, bij wie zit deze onduidelijkheid als gevolg waarvan? En wat vindt u hiervan?   8.   Het klopt dat er onduidelijkheden zijn rondom de term 24 uurs zorg, aangezien de term impliceert dat men recht zou hebben op 24 uur zorg per dag. Dit is niet standaard het geval. De wijkverpleegkundige indiceert welke zorg er nodig is in de palliatieve terminale fase. In de palliatieve terminale fase zijn er andere zorgdoelen, want de focus gaat van ziektegerichte zorg (gezondheid verbeteren of stabiliseren) naar symptoomlastenbestrijding en gecontroleerde achteruitgang. Dit vraagt om observeren en het netwerk in de gaten houden. De intensiviteit neemt over het algemeen in deze fase toe. De hoeveelheid zorg die ingezet wordt is in alle fasen van het leven afhankelijk van de verpleegkundige diagnosen, de gewenste resultaten en de daarbij passende interventies. Op sommige momenten kan dit meer zorg zijn dan gemiddeld en deze term vind ik passender dan 24 uurs zorg. Als de wijkverpleegkundige de inzet van het aantal uren zorg goed onderbouwt conform de beroepsstandaarden en -normen (Normenkader V&VN), dan moeten deze uren vergoed worden.   9   Klopt het dat als iemand aangeeft thuis te willen sterven, er toch door de zorgverzekeraar aangegeven wordt dat de dat “patiënt voor de 24 uur zorg die nodig is naar een hospice zou moeten gaan”? Wat vindt u daarvan?   9.   Uitgangspunt is dat iedereen recht heeft om te sterven waar hij of zij wil, met de zorg die daarvoor nodig is. De wijkverpleegkundige indiceert daarvoor de benodigde zorg die verantwoord thuis gegeven kan worden. De wijkverpleegkundige bepaalt daarbij in samenspraak met de cliënt, andere hulpverleners en eventueel netwerk wie deze zorg levert. Hierbij wordt rekening gehouden met de situatie van de cliënt, waaronder de zorgbehoefte van de cliënt, de (on)mogelijkheden van de inzet van het netwerk c.q. vrijwilligers, en de situatie thuis. Het aantal uren zorg dat de wijkverpleegkundige indiceert conform de beroepsstandaarden en -normen (Normenkader V&VN) dient verleend en vergoed te worden uit de Zorgverzekeringswet. Als de cliënt meer ondersteuning wenst dan volgens de Zorgverzekeringswet mogelijk is, dan onderzoekt de wijkverpleegkundige of het inzetten van vrijwilligers mogelijk is dan wel of een andere oplossing zoals een hospice/bijna thuis huis een goed alternatief is. De wijkverpleegkundige geeft dus aan welke opties er zijn voor de laatste fase, maar de beslissing ligt bij de cliënt.   10   Klopt het dat het Zorginstituut op dit moment onderzoek verricht naar de vergoeding van het ‘waken’ als onderdeel van de zorg die de wijkverpleegkundige indiceert en levert? Wanneer is dit onderzoek gereed?   10.   Dit klopt. Het Zorginstituut heeft dit onderzoek op 11 april gepubliceerd.   11   Kunt u per motie aangeven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de moties Bergkamp en Van der Staaij 3), Van der Staaij c.s.4) en Van der Staaij en Dik-Faber? 5)   11.   De motie van Bergkamp en Van der Staaij is afgedaan door zorgverzekeraars (opnieuw) aan te spreken dat 24-uurs zorg vergoed dient te worden, zoals is aangegeven in de brief ‘Palliatieve zorg: een niveau hoger’ (Kamerstuk 29509 nr. 64). De motie van Van der Staaij c.s. over budgetplafonds zijn meegenomen in de Monitor contractering van de NZa (2018). In deze monitor concludeert de NZa dat de drie zorgverzekeraars die te maken hebben gehad met patiëntenstops in verband met het bereiken van het budgetplafond, aangeven aan dat de patiëntenstops in ieder geval niet golden voor een van de specialistische zorgvormen, zoals de palliatieve terminale zorg. Op deze manier wordt de zorglevering hiervan geborgd. Van de ondervraagde aanbieders was er één die een patiëntenstop heeft afgegeven voor palliatieve terminale zorg in verband met een gebrek aan specialistisch personeel. Dit hoeft niet direct gevolgen te hebben voor de continuïteit van zorg als de zorgverzekeraar de patiënten kan bemiddelen naar een andere gecontracteerde aanbieder die geen personeelsgebrek heeft. De motie van Van der Staaij en Dik-Faber wil ik beantwoorden naar aanleiding van de resultaten van de Monitor contractering 2019, die voorjaar 2019 gepubliceerd wordt.   12   Hoe kan het dat na alle debatten en overeenstemming in de Kamer over dit onderwerp, er nog steeds problemen zijn? Bent u eens dat dit zo spoedig mogelijk moet worden opgelost, omdat je maar één keer waardig afscheid van iemand kan nemen?   12.   Uitganspunt is dat patiënten moeten kunnen sterven op de plek van voorkeur. Bij een naturapolis geldt de afspraak tussen de verzekeraar en de verzekerde dat de zorgkosten volledig worden vergoed als de cliënt naar een gecontracteerde aanbieder gaat. De patiënten kunnen ook vaak bij aanbieders zonder contract terecht, maar dan is er vaak een machtiging nodig voordat de zorg vergoed wordt. Zorgverzekeraars keuren deze machtigingen vaak goed mits er is geïndiceerd conform de beroepsstandaarden en -normen (Normenkader V&VN). Als cliënten zeker willen zijn van vergoedingen bij niet-gecontracteerde aanbieders, dan kunnen zij voor een restitutiepolis kiezen.   De problemen die er nog zijn op het gebied van onduidelijkheid tussen wijkverpleegkundigen en zorgverzekeraars rondom de indicatiestelling wil ik zo snel mogelijk oplossen.   Als eerste stap heeft V&VN het begrippenkader indicatieproces gepubliceerd en het Zorginstituut heeft hier een nadere duiding over uitgebracht. V&VN heeft daarnaast een korte versie van het begrippenkader ontwikkeld. Op korte termijn wordt gezamenlijk bekeken of dit voldoende is of dat extra stappen nodig zijn om de onduidelijkheid weg te nemen. Daarnaast vraag ik V&VN en ZN om de problemen die nog spelen met hun achterban door te nemen en op te lossen.   13   Klopt het dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in gesprek is met Zorgverzekeraars Nederland en Verzorgenden & Verpleegkundigen Nederland over onderhavige problematiek? Wat is de aanleiding daartoe? Is de Kamer over deze problemen geïnformeerd? Wordt het Zorginstituut hierbij betrokken? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om de uitkomst van dit overleg aan de Kamer te laten weten? Zo ja wanneer?   13.   Het klopt dat ik met V&VN en ZN in gesprek ben over de onduidelijkheden rondom de indicatiestelling en de vergoedingen in de laatste fase. Het Zorginstituut is hier ook bij betrokken. De aanleiding hiervoor zijn de diverse signalen die ik heb ontvangen over de onduidelijkheden rondom de indicatiestelling en de vergoedingen in de palliatieve fase. Mede als gevolg van deze gesprekken is het onderdeel palliatieve zorg meegenomen in het begrippenkader indicatieproces van V&VN en heeft het Zorginstituut hier een duiding over gemaakt. De uitkomsten zijn op 10 april (begrippenkader V&VN) en 11 april (duiding Zorginstituut) gepubliceerd.   1) https://kassa.bnnvara.nl/gemist/nieuws/noodzakelijke-terminale-zorg-door-verzekeraar-niet-altijd-vergoed   2) 2018D32510   3) Kamerstuk 29689, nr. 734   4) Kamerstuk 29282, nr. 283   5) Kamerstuk 35000 XVI, nr. 62     Toelichting:   Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Hijink (SP), ingezonden 3 april 2019 (vraagnummer 2019Z06591)  
  Datum: 24 april 2019   Nr: 2019D17238   Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Van Gent over apps waarmee je de telefoon van anderen kan spioneren

  Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.   In antwoord op uw brief van 19 maart 2019, deel ik u mee dat de schriftelijke vragen van het lid Van Gent (VVD) over apps waarmee je de telefoon van anderen kan spioneren, worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage van deze brief.   De Minister voor Rechtsbescherming   Sander Dekker   2019Z05382   Antwoorden Kamervragen van het lid Van Gent (VVD) aan de minister voor Rechtsbescherming over apps waarmee je de telefoon van anderen kan spioneren (ingezonden 19 maart 2019)   1   Heeft u kennisgenomen van het bericht dat er apps zijn die je op de telefoon van je partnekind/werknemer kunt installeren en waarmee je gesprekken kunt afluisteren, sms- en Whatsapp-berichten kunt meelezen, het web- en mailverkeer kunt onderscheppen en ook de locatie van de telefoon kunt volgen? 1)   Antwoord op vraag 1   Ja, ik heb van het bericht kennis genomen.   2   Deelt u de mening dat dit in het kader van horizontale privacy een onwenselijke ontwikkeling is? Zo nee, waarom niet?   Antwoord op vraag 2   Er komen steeds meer producten op de markt die de mogelijkheid bieden tot spionage. Het gebruik van deze producten kan een zeer grote inbreuk op de privacy opleveren, wat onwenselijk en in bepaalde gevallen zelfs strafbaar is (zie mijn antwoord op vraag 3). De mogelijkheden en de begrenzing van spionageproducten hebben mijn aandacht. Daarom heb ik het Tilburg Institute for Law, Technology, and Society (TILT), van de Universiteit Tilburg verzocht te onderzoeken hoe het gebruik van spionageproducten door burgers beter kan worden gereguleerd zodat de privacy van burgers nog beter kan worden beschermd. Dit onderzoek zal naar verwachting begin 2020 gereed zijn. Over de uitkomst van het onderzoek en de conclusies die ik daaraan verbind, zal ik u daarna zo spoedig mogelijk informeren.   3   Is het gebruik van dergelijke apps strafbaar of onrechtmatig? Zo ja, op basis waarvan?   4   Als het gebruik van dergelijke apps niet strafbaar of onrechtmatig is, deelt u dan de opvatting dat het aanbieden en gebruik van dergelijke apps aan banden gelegd zou moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord op vraag 3 en 4   Het Wetboek van Strafrecht bevat mogelijkheden om tegen het gebruik en de verkoop van spionagesoftware op te treden. Het wederrechtelijk installeren van spionagesoftware met het oogmerk om telecommunicatie of andere gegevensverwerking of gegevensoverdacht van een geautomatiseerd werk af te tappen of opnemen is strafbaar. De installatie van dergelijke software kan gepaard gaan met computervredebreuk. Het vervolgens overnemen van gegevens is apart strafbaar gesteld. Ook de productie, verkoop en aanschaf van spionagesoftware is in beginsel strafbaar. Daarnaast kan het maken van reclame voor de verkoop van spionageproducten strafbaar zijn. Ook het heimelijk filmen of fotograferen van mensen en het heimelijk opnemen van gesprekken waar je zelf geen deelnemer van bent is strafbaar. Daarnaast stelt de Auteurswet een aantal handelingen strafbaar, bijvoorbeeld het zonder toestemming van de betrokken persoon, wanneer deze persoon een aanmerkelijk belang heeft, camerabeelden van die persoon publiceren.   Zoals in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, heb ik het TILT verzocht te onderzoeken hoe het gebruik van spionageproducten door burgers, naast de bestaande mogelijkheden, nog beter kan worden gereguleerd. Hierbij zal onder andere worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn om dergelijke software te verbinden aan een vergunningstelsel ten behoeve van eventueel rechtmatig gebruik om zo de verkoop en het gebruik van deze producten beter te monitoren en daarmee de privacy van burgers nog beter te beschermen.   1) Financieel Dagblad 16-03-2019; https://fd.nl/futures/1292822/iedereen-kan-spioneren?utm_medium=social&utm_source=app&utm_campaign=SHR_ARTT_20190316&utm_content=futures);   VERTROUWELIJK  
  Datum: 13 mei 2019   Nr: 2019D19095   Indiener: S. Dekker, minister voor Rechtsbescherming   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Kerstens over het bericht ‘Rijk verdeelt wmo-gelden anders: Gelderse gemeenten krijgen miljoenen minder’

Hierbij bied ik u, mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), de antwoorden aan op de schriftelijke vragen die zijn gesteld door het lid Kerstens (PvdA) aan de ministers van BZK en VWS over het bericht ‘Rijk verdeelt wmo-gelden anders: Gelderse gemeenten krijgen miljoenen minder’. Deze vragen werden ingezonden op 19 maart 2019, met kenmerk 2019Z05373.   De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,   drs. K.H. Ollongren   1   Heeft u kennisgenomen het bericht ‘Rijk verdeelt wmo-gelden anders: Gelderse gemeenten krijgen miljoenen minder’? 1)   Antwoord Ja.   2   Herkent en erkent u het signaal dat de, bij de voorgestelde verdeling van gelden voor met name beschermd wonen, gehanteerde berekeningswijze ‘principieel onjuist’ is en in ieder geval leidt tot onrechtvaardige uitkomsten?   Antwoord Het nieuwe verdeelmodel vloeit voort uit het rapport van de Commissie Toekomst Beschermd Wonen, dat in opdracht van de VNG in 2015 is opgesteld. Deze commissie adviseert gemeenten de mensen die beschermd wonen zoveel mogelijk in ‘gewone’ woningen en wijken – in hun eigen sociale omgeving – te begeleiden en ondersteunen, gericht op herstel en zelfredzaamheid. Rijk, VNG en gemeenten hebben deze visie omarmd en werken op dit moment aan de implementatie. De commissie Toekomst Beschermd Wonen heeft aangegeven dat hier een nieuw verdeelmodel bij hoort. Dit beoogt het voor gemeenten aantrekkelijk te maken om in te zetten op preventie, om meer samenhang in de ondersteuning te bieden en om verkokering te doorbreken.   In de huidige situatie worden de middelen verdeeld op basis van het historisch gegroeide aanbod in gemeenten. Een dergelijke verdeling past volgens de commissie Toekomst Beschermd Wonen niet bij bovengenoemde beweging. Daarom hebben Rijk en VNG – in navolging van het advies van genoemde commissie – opdracht gegeven tot het ontwikkelen van een objectieve verdeling over alle gemeenten op basis van de ‘vraag’. Het nieuwe verdeelmodel, waarvan de voorlopige uitkomsten nu bekend zijn, sluit daar bij aan.   3   Herkent en erkent u het signaal dat bedoelde berekeningswijze zelfs een averechts effect kan hebben, in die zin dat het voor gemeenten nu lucratief wordt om zo min mogelijk instellingen binnen de eigen gemeentegrenzen te hebben omdat zij daarvoor worden ‘gestraft’?   Antwoord Deze redenering gaat uit van de huidige manier waarop beschermd wonen is geregeld, met een bekostiging op basis van het historisch gegroeide aanbod in gemeenten. Hiermee wordt voorbijgegaan aan de gewenste inhoudelijke beweging zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2. Er zijn gemeenten waarbij het budget dat zij krijgen niet past bij de vraag (onder meer van haar eigen inwoners) naar beschermd wonen. Ik vind het belangrijk dat deze gemeenten de middelen ontvangen die aansluiten bij die vraag en dat gemeenten in staat worden gesteld bovengenoemde beweging te maken.   Bovendien hebben gemeenten de wettelijke verantwoordelijkheid de mensen die in aanmerking komen voor beschermd wonen ook te helpen. Het aantal voorzieningen dat gemeenten bieden, moet aansluiten bij de vraag. Het is belangrijk dat in de regio afspraken worden gemaakt over hoe de mensen die een beroep doen op beschermd wonen en de maatschappelijke opvang op een goede manier geholpen kunnen worden. Tijdens bestuurlijk overleg is met de VNG afgesproken dat alle regio’s in 2019 uitvoeringsafspraken zullen maken. Deze uitvoeringsafspraken gaan over de inhoudelijke randvoorwaarden die de commissie Toekomst Beschermd Wonen in haar advies noemt, maar ook over andere randvoorwaarden zoals de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeenten in de regio, de verdeling van het beschikbare budget en de wijze waarop partijen in de regio met elkaar samenwerken.   4   Kunt u garanderen dat de toegang tot goede zorg, wanneer nodig, niet in het gedrang komt door de nieuwe berekeningswijze?   Antwoord   De Wmo 2015 biedt cliënten de nodige waarborgen voor goede zorg en ondersteuning. De Wmo 2015 verplicht gemeenten namelijk tot het doen van zorgvuldig onderzoek als iemand zich meldt voor Wmo-ondersteuning. Als hieruit blijkt dat een cliënt op de gemeente is aangewezen voor ondersteuning, moet de gemeente deze ook bieden. Deze ondersteuning moet passend zijn, ook wat betreft de omvang. De wijze van verdeling van middelen over gemeenten doet niets af aan de aanspraken die burgers aan de Wmo 2015 kunnen ontlenen. Verder geldt dat de toegang tot goede zorg van veel factoren afhankelijk is, bijvoorbeeld van de wijze waarop de gemeente de toegang heeft ingericht en de werkwijze van de professionals in de praktijk. De financiële randvoorwaarden zijn daar een onderdeel van. Gemeenten werken in de eerdergenoemde uitvoeringsplannen uit hoe zij cliënten continuïteit in de hulp en ondersteuning kunnen bieden.   5   Heeft u met de gemeenten in kwestie gesproken over de effecten van het nu voorgestelde model dan wel bent u bereid alsnog met hen in gesprek te gaan?   Antwoord   Het voorlopige verdeelmodel is tot stand gekomen onder begeleiding van een breed samengestelde werkgroep waarin ook de VNG en gemeenten waren vertegenwoordigd. Reeds voor de publicatie van de voorlopige uitkomsten van de nieuwe verdeling heb ik met de VNG afgesproken om de komende maanden het gesprek met gemeenten te voeren. Zo verleende mijn departement medewerking aan de regionale bijeenkomsten die de VNG eind maart/begin april 2019 voor gemeenten heeft georganiseerd. Daarnaast heeft de staatssecretaris van VWS begin april hierover gesproken met de wethouders van de centrumgemeenten voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Tijdens dat overleg hebben de wethouders gemeld dat zij een groep experts gaan vragen advies uit te brengen over een aantal (randvoorwaardelijke) zaken met betrekking tot het verdeelmodel. Dit advies is voor de zomer gereed en zal worden besproken tijdens bestuurlijk overleg tussen Rijk en gemeenten.   Ik maak van de gelegenheid gebruik u te melden dat mijn ambtenaren, conform de motie Kerstens (   6   Bent u bereid het nu voorgestelde model te herzien, de invoering ervan aan te houden dan wel op andere wijze de gestelde negatieve effecten ervan te voorkomen? Zo ja, op welke wijze?   Antwoord   Met de VNG heb ik afgesproken het verdeelmodel komend jaar nog een keer tegen het licht te houden en zo nodig verbeteringen door te voeren. In het voorjaar van 2020 vindt definitieve besluitvorming plaats over het verdeelmodel en het moment van invoering. Vooralsnog is invoering voorzien voor 2021, tenzij nadere inzichten de implementatie in de weg staan. Dat is ook het jaar waarin de verbeterde verdeling van de middelen in het gemeentefonds voor het gehele sociaal domein zijn beslag moet krijgen.   Rijk en VNG hebben er bewust voor gekozen invulling te geven aan de visie van de Commissie Toekomst Beschermd Wonen. Een wijziging in een verdeelmodel leidt altijd tot herverdeeleffecten: sommige gemeenten gaan er financieel op vooruit, andere gemeenten ondervinden financieel nadeel. Via een ingroeipad zal er voor worden gezorgd dat het negatieve effect niet in één keer, maar geleidelijk wordt doorgevoerd zodat gemeenten en andere betrokken partijen in de gelegenheid worden gesteld toe te groeien naar de nieuwe situatie en continuïteit in het ondersteuningsaanbod kan worden gegarandeerd.   7   Bent u bereid, nu de signalen dat gemeenten in toenemende mate (bijvoorbeeld in relatie tot jeugdzorg en als gevolg van de invoering van het abonnementstarief in de Wmo) geld tekortkomen steeds luider klinken, extra geld daarvoor uit te trekken?   Antwoord   Het kabinet neemt de signalen van gemeenten serieus en heeft daarom een aantal handreikingen gedaan aan gemeenten, zoals verdiepend onderzoek naar de jeugdhulp. Het onderzoek bevindt zich in de afrondende fase. Het streven is het onderzoek eind april aan uw Kamer te sturen. In het voorjaar van 2019 worden de resultaten uit het onderzoek besproken en gewogen op de bestuurlijke tafel.   8   Ziet u hier, zoals in het artikel gesteld, een rol voor de provincie weggelegd? Zo ja, welke?   Antwoord Beschermd wonen, maatschappelijke opvang en Wmo begeleiding vallen onder de verantwoordelijkheid van gemeenten. Ik zie daarom op dit terrein geen rol weggelegd voor de provincie.   1) https://www.gelderlander.nl/arnhem/rijk-verdeelt-wmo-gelden-anders-gelderse-gemeenten-krijgen-miljoenen-minder~ab3d8372/
  Datum: 15 april 2019    Nr: 2019D15722    Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Dit spel moet he checken

Help me Mythia te redden!
Sluit je bij me aan in Merge Magic! Gebruik deze tag om mij aan je vriendenlijst toe te voegen: RGHCQLTTTJ Tik hier om te beginnen met spelen! http://mergemagicgame.com/invite De wezens moeten gered worden en wij zijn de enige die kunnen helpen:
. Laat je eigen wezens uitkomen door het fuseren van mystieke eieren . Bouw een tuin voor je wezens om in te leven . Herstel het leven in het land door essences te oogsten . Maak je wezens krachtiger door ze te fuseren . Meer dan 200 unieke puzzels en 600 missies om te voltooien . Fuseer drie van wat dan ook om ze groter, beter en mooier te maken . Meer dan 200 wezens om te ontdekken
Wat zal jij ontdekken?
submitted by satsatvinky to u/satsatvinky [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Ploumen over het bericht dat het aantal vrouwen met een borstimplantaat dat lymfeklierkanker heeft gekregen explosief is gestegen

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Ploumen (PvdA) over het bericht dat het aantal vrouwen met een borstimplantaat dat lymfeklierkanker heeft gekregen explosief is gestegen (ingezonden 3 april 2019).   (2019Z06602)   Hoogachtend,   de minister voor Medische Zorg   en Sport,   Bruno Bruins   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Ploumen (PvdA) over het bericht dat het aantal vrouwen met een borstimplantaat dat lymfeklierkanker heeft gekregen explosief is gestegen (ingezonden 3 april 2019). (2019Z06602)   Vraag 1   Bent u bekend met het bericht ‘Stop met borstimplantaten tot de veiligheid bewezen is’?   Antwoord 1   Ja.   Vraag 2   Wat is volgens u de verklaring voor het feit dat het aantal meldingen van vrouwen met lyfmeklierkanker (BIA-ALCL) en een borstimplantaat fors is gestegen? Hoe verhouden de cijfers van de Food and Drug Administration (FDA) zich met de cijfers in Nederland, waar in de afgelopen 30 jaar 52 en wellicht zelfs 54 gevallen van ALCL zijn vastgesteld? Vindt u verder onderzoek naar het voorkomen van ALCL bij vrouwen met borstimplantaten aangewezen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 2   Er is tegenwoordig meer bekendheid voor BIA-ALCL (ALCL gerelateerd aan siliconen borstimplantaten) door allerlei onderzoeken en mediaberichten. Dit heeft naar verwachting mede geleid tot meer meldingen over ALCL bij NVPC. De NVPC heeft deze meldingen doorgegeven aan de IGJ. Het BIA-ALCL onderzoekconsortium, met verschillende experts uit Nederland, meldde mij dat het totaal aantal gevallen van BIA-ALCL vergelijkbaar is met de cijfers van de FDA.   Ook zijn plastisch chirurgen en pathologen beter bekend met BIA-ALCL, waardoor deze diagnose eerder en beter wordt gesteld. Daarnaast is het aantal gevallen mogelijk ook toegenomen door een toename in het aantal implantaties.   Meer onderzoek naar ALCL vind ik zeer belangrijk. Ik heb, zoals ik u berichtte tijdens het debat over ‘het toezicht op medische implantaten’ op 21 maart jl., het RIVM, NIVEL, de Universiteit van Maastricht en de NVPC gevraagd om een gezamenlijk onderzoeksvoorstel te maken met het oog op het gebruik van implantaten, de risico's en het voorkomen daarvan. In dit onderzoek zal er ook aandacht zijn voor ALCL. Ik krijg dat voorstel nog dit voorjaar, en zal uw Kamer op de hoogte houden over de voortgang. Ook op het moment dat ik informatie krijg over dit onderzoek, wil ik dat delen met de wetenschappelijke verenigingen opdat zij dat kunnen gebruiken bij het gesprek met de patiënt. Naar aanleiding van de maatregelen die Frankrijk op 4 april jl. heeft afgekondigd, heb ik het RIVM gevraagd om nog voor het meireces een duiding te geven van de wetenschappelijke onderbouwing van het Franse besluit. Hiervoor vindt een beoordeling van het wetenschappelijke bewijs plaats. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan zal ik verdere maatregelen treffen.   Vraag 3   Vindt u dat vrouwen op dit moment voldoende worden geïnformeerd over het risico van borstimplantaten? Zo ja, waar blijkt dat volgens u uit? Zo nee, wat wilt u hier aan doen?   Vraag 4   Vindt u dat vrouwen op dit moment op een goede, volledige en eerlijke manier worden geïnformeerd op websites van plastisch chirurgen en klinieken? Zo ja, waarom? Zo nee, wat wilt u hier aan doen?   Antwoord 3 en antwoord 4   In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) staat al dat artsen patiënten zorgvuldig moeten informeren over het doel van een behandeling, de te verwachten gevolgen, de risico’s voor de gezondheid, de alternatieve onderzoeks- of behandelingsmethoden en de vooruitzichten met betrekking tot de gezondheid. Deze verplichting geldt ook wanneer implantaten om cosmetische redenen worden geplaatst. Artsen moeten zich ervan verzekeren dat de informatie die zij geven over mogelijke bijwerkingen en risico’s van een behandeling is gehoord en begrepen. Hiermee is er een goede wettelijk verankering van de informatievoorziening richting patiënten.   Zoals u weet wil ik patiënten graag wijzen op de campagne ‘Samen beslissen, 3 goede vragen’ van de Patiëntenfederatie Nederland en de Federatie Medisch Specialisten. De campagne stimuleert het goede gesprek tussen arts en patiënt. Patiënten krijgen het advies 3 vragen te stellen; Wat zijn mijn mogelijkheden?; Wat zijn de voor- en nadelen van die mogelijkheden?; Wat betekent dat in mijn situatie?. Ik richt daarnaast een extra traject rond ‘Samen beslissen’ dat zich speciaal richt op implantaten. Door middel van het stellen van deze vragen kan de patiënt zichzelf goed laten informeren over de voor- en nadelen van borstimplantaten.   Ik vind dat de patiënt van goede en volledige informatie op de hoogte moet zijn, ook via websites van klinieken. Zorgverleners hebben bij mij aangegeven dat er in de praktijk al goede informatie-uitwisseling plaatsvindt met de patiënt. Een goed voorbeeld hiervan is de chirurgische bijsluiter van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC), waarin de mogelijke bijwerkingen en risico’s van (de operatie met) borstimplantaten staan. Maar als blijkt dat het in de praktijk niet goed gaat, dan wil ik dat weten. Ik zou dan ook patiënten willen oproepen om dit te melden bij het Landelijk Meldpunt Zorg (www.landelijkmeldpuntzorg.nl);.   Vraag 5   Worden nu alle incidenten met implantaten ook gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)? Zo nee, waarom niet en per wanneer wel?   Vraag 6   Bent u van mening dat rupturen niet zomaar bijwerkingen zijn, maar beschouwd moeten worden als incidenten en dus altijd gemeld zouden moeten worden aan de IGJ? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 5 en antwoord 6   Nee, op dit moment nog niet. Tijdens het debat over ‘het toezicht op medische implantaten’ op 21 maart jl. heb ik uitgebreid toegelicht dat het nu nog zo is dat de zorgverlener incidenten bij de fabrikant meldt. Een fabrikant moet vervolgens bij de IGJ melden als er sprake is van een incident met een implantaat, zodat er maatregelen kunnen worden genomen. Tijdens het debat heb ik toegezegd dat zorgverleners ook direct incidenten, zoals een ruptuur, gaan melden bij de IGJ. Hiervoor zal waarschijnlijk een aanpassing in de wet moeten plaatsvinden, en dat wordt op dit moment uitgezocht. Ik ga zorgverleners per brief attenderen op deze aanstaande wijziging, zodat zij zich hier tijdig op kunnen voorbereiden. In de voortgangsbrief over implantaten, die ik heb toegezegd voor de zomer, zal ik toelichten hoe ik verdere invulling aan de toezegging over melden van incidenten ga geven.   Vraag 7   Op welke wijze en vanaf wanneer worden alle meldingen van incidenten en calamiteiten openbaar gemaakt, zodat patiënten en artsen zich kunnen informeren?   Antwoord 7   Omdat meldingen eerst moeten worden onderzocht door de IGJ worden niet alle meldingen van individuele incidenten en calamiteiten (meteen) openbaar gemaakt. Als incidenten of andere signalen daartoe aanleiding geven voert een fabrikant een herstel- of terugroepactie uit. Via een veiligheidwaarschuwing (Field Safety Notice, FSN) informeren zij hun klanten hierover. De IGJ publiceert deze waarschuwingen op haar website. Indien nodig waarschuwt de IGJ zelf ook via haar website of via de wetenschappelijke verenigingen.   Vraag 8   Bent u bereid het gebruik van borstimplantaten te stoppen, totdat de veiligheid van vrouwen gegarandeerd is zoals professor Cohen Tervaert ook adviseert? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 8   Stoppen met het gebruik van borstimplantaten is niet mogelijk. Daar heb ik nu geen wettelijke basis voor. Dit heb ik eerder in het debat over ‘het toezicht op medische implantaten’ op 21 maart jl. en de Kamerbrief van 21 december 2018 aangegeven. Er zijn ook redenen waarom vrouwen toch willen overgaan tot het laten plaatsen van borstimplantaten, denk hierbij aan transvrouwen.   Sinds afgelopen week heeft Frankrijk een verbod ingesteld op het gebruik van macrogetextureerde en polyurethaan gecoate borstimplantaten. Ik heb het RIVM direct gevraagd om nog voor het meireces een duiding te geven van de wetenschappelijke onderbouwing van het Franse besluit.   Naar aanleiding van dit verbod heb ik contact gezocht met de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC). In dit gesprek heb ik een beroep op hem gedaan om in afwachting van het RIVM onderzoek geen macrogetextureerde en polyurethaan gecoate implantaten te gebruiken. De NVPC heeft bij mij aangegeven dat zij dit advies gaan overnemen en onder hun achterban, de plastisch chirurgen, verspreiden. Dit geldt dus tot het moment dat het RIVM met zijn advies komt voor het meireces. Afhankelijk van de uitkomsten van het RIVM onderzoek zullen er verdere gepaste maatregelen worden getroffen.   Vraag 9   Wat is uw reactie op de maatregelen die de Amerikaanse waakhond FDA heeft aangekondigd om het gebruik en de risico’s van implantaten beter in de gaten te houden? Welke van de maatregelen wilt u ook in Nederland overnemen?   Antwoord 9   De FDA gaat inzetten op meer post-market surveillance (PMS) nadat implantaten op de markt zijn gekomen. Binnen de Verordening medische hulpmiddelen (MDR) en Verordening medische hulpmiddelen voor In-Vitrodiagnostiek (IVDR), die respectievelijk in mei 2020 en mei 2022 van kracht worden, is er meer aandacht voor post-market surveillance. In 2017 zijn deze verordeningen al gepubliceerd en vastgelegd in Europese regelgeving. Hiermee liepen we dus al vooruit op de maatregelen die de FDA pas sinds dit jaar heeft aangekondigd.   Er zijn vereisten in de verordening op het gebied van PMS en toezicht opgenomen, welke direct vanaf mei 2020 al van toepassing zijn voor medische hulpmiddelen. De verordening verplicht fabrikanten om actief PMS-informatie te verzamelen over hun hulpmiddel, met als doel de kwaliteit en de veiligheid van het hulpmiddel te waarborgen. Daarnaast krijgen aangemelde instanties de taak om ook na markttoelating de veiligheid en prestaties van medische hulpmiddelen te monitoren.   Ik heb in 2018 in Nederland een werkgroep opgericht waarin koepels van fabrikanten en koepels van zorgverleners samen nadenken over de invulling van deze zogenaamde ‘post-market surveillance’ (PMS), waarbij de administratieve lasten met name voor de zorgverleners beperkt blijven.   Vraag 10   Wanneer verwacht u dat de ‘Device Specific Vigilance’ gereed is? Kunt u een update geven van de stand van zaken en de Nederlandse positie bij de onderhandelingen hierover?   Antwoord 10   Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen over de Device Specific Vigilance Guidance vooral sterk gemaakt voor het maken van duidelijk afspraken over welke type incidenten de fabrikanten moeten melden en op welke manier, zodat dit op een eenduidige manier gaat gebeuren. In de praktijk blijkt op dit moment namelijk dat sommige fabrikanten bijvoorbeeld wel rupturen melden en andere niet. Inmiddels is de Device Specific Vigilance Guidance in concept gereed en moet nu op Europees niveau worden vastgesteld. Dit zal naar verwachting in het derde kwartaal van 2019 gaan gebeuren.   Vraag 11   Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om de risico’s van het gebruik van (borst)implantaten beter in kaart te brengen, inclusief de langetermijneffecten?   Antwoord 11   In mijn eerdergenoemde Kamerbrief van 21 december 2018 en het debat met uw Kamer op 21 maart jl., heb ik acties aangekondigd om de risico’s van (borst) implantaten beter in kaart te brengen, inclusief de langetermijneffecten. Daartoe behoren onder meer de volgende maatregelen:   Onderzoek   Ik heb het RIVM, NIVEL, de Universiteit van Maastricht en de NVPC gevraagd om een gezamenlijk onderzoeksvoorstel te maken met het oog op het gebruik van implantaten, de risico's en het voorkomen daarvan. Ik krijg dat voorstel dit voorjaar, en zal uw Kamer op de hoogte houden over de voortgang. Ook op het moment dat ik informatie krijg over onderzoek, zal ik dat delen met de wetenschappelijke verenigingen opdat zij dat kunnen gebruiken bij het gesprek met de patiënt. Naar aanleiding van de maatregelen die Frankrijk heeft afgekondigd, heb ik het RIVM gevraagd om nog voor het meireces een duiding te geven van de wetenschappelijke onderbouwing van het Franse besluit. Hiervoor vindt een beoordeling van de wetenschappelijke literatuur plaats. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan zal ik verdere gepaste maatregelen treffen.   Kwaliteitsregister   Daarnaast ga ik in gesprek met een aantal wetenschappelijke verenigingen die nog geen kwaliteitsregister hebben en waarvan ook het implantatendeel een onderdeel of een groot onderdeel uitmaakt van hun geleverde zorg. Kwaliteitsregisters zijn bedoeld om de kwaliteit van zorg te verbeteren, en bevatten ook waardevolle informatie over de implantatie, zoals bijvoorbeeld de nazorg, complicaties en bijwerkingen. Ik wil met deze verenigingen het gesprek aangaan over hoe zij zo’n register op de beste manier kunnen gaan inrichten. Daarnaast vind ik dat we de informatie tussen aan de ene kant kwaliteitsregisters en Landelijk Implantaten Register en aan de andere kant kwaliteitsregisters en Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten zouden moeten koppelen, ten behoeve van enkelvoudig en eenduidig registreren. Dit zal in de praktijk waarschijnlijk niet zo makkelijk zijn, maar het lijkt me belangrijk dat die informatie zo veel als mogelijk praktisch toegankelijk wordt gemaakt langs deze lijnen. Ik ga daarvoor in gesprek met wetenschappelijke verenigingen, de beheerder van dat meldpunt en de Inspectie.   Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten   Sinds 2017 is, onder verantwoordelijkheid van het RIVM, het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) van start gegaan. Daar kunnen zorgverleners en patiënten melding doen van bijwerkingen van (een behandeling met) een implantaat. Het Meldpunt en Expertisecentrum informeert patiënten en zorgverleners als een melding daar aanleiding toe geeft. Daardoor is er eerder zicht op bijwerkingen van implantaten. Het MEBI komt bijvoorbeeld in actie als er onbekende bijwerkingen naar voren komen, maar ook als er meer of ernstigere meldingen binnenkomen over een bijwerking die al bekend was. Inmiddels hebben, in de korte tijd van het bestaan van het meldpunt, de meldingen geleid tot twee attenderingen waarmee patiënten en zorgverleners zijn geïnformeerd over bijwerkingen van een implantaat (een maagband en een anti-conceptiespiraal). Het Meldpunt is nog onvoldoende bekend onder patiënten en zorgverleners. Ik start daarom op korte termijn een campagne om meer aandacht te genereren voor het MEBI. Deze campagne moet bevorderen dat patiënten en professionals bijwerkingen melden.  
  Datum: 9 april 2019    Nr: 2019D14693    Indiener: B.J. Bruins, minister voor Medische Zorg
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

5 Methodes Om Gouden Decofolie Te Gebruiken  Cold & Hot ... KYK: Skare maak gereed om te luister na Malema - YouTube om ... te + infinitief - YouTube Hoe Baking Soda Te Gebruiken Om Haarkleur Te ... - YouTube Vliegtuie gebruik om brande te help blus - YouTube

What does gereed om te gebruik mean in Afrikaans? English Translation. ready to use. Find more words! Use * for blank tiles (max 2) Advanced Search Advanced Search: Use * for blank spaces Advanced Search: Advanced Word Finder: See Also in Afrikaans. gebruik noun: use, custom: gereed: ready: om: to: te noun: to, fiddler: See Also in English. use noun: gebruik: ready: gereed: to: om: Watch and ... Diep in jou hart begeer jy dat God jou sal gebruik om ander mense te help. Dis die sin van die lewe – om ander mense by te staan. “Die Here het sy oë oral op die aarde sodat Hy dié kan help wat met hulle hele hart op Hom vertrou.” (2 Kron 16:9). Die Here wil graag mense help – en baie keer wil Hy jou gebruik, maar Hy vra dat jou hart op Hom gefokus sal wees sodat Hy jou kan gebruik. Werk saam met u tegniese ondersteuning om seker te maak dat die toestelle, projektors, elektroniese witborde, firewalls, bandwydte en e-pos minstens een week voor die geleentheid gereed is om te gebruik. Baie aanlyn-instrumente bied 'n toetsblad of ruimte om dit vroegtydig te probeer, en webstromingsprogramme bied gewoonlik 'n toetslus om die video- en klankgehalte na te gaan. Gaan deur ... Vertalingen van het uitdrukking GEREED OM van nederlands naar engels en voorbeelden van het gebruik van "GEREED OM" in een zin met hun vertalingen: Gereed om doseerknop uit te trekken.. Vra van tyd tot tyd as sy daarop wil sit, maar moenie haar stoot om dit te gebruik as sy nie gereed is nie. Jou peuter sal uiteindelik op eie belang rente toon. 4 - Jou peuter het droë tydperke en voorspelbare dermbewegings . As jou kind se luier vir langer tydperke droog bly, soos tydens 'n nagtyd of vir 'n paar uur gedurende die dag, is dit 'n goeie teken dat sy blaasspiere ontwikkel het ...

[index] [7288] [6631] [5282] [7329] [6268] [4928] [4528] [6655] [1249] [1652]

5 Methodes Om Gouden Decofolie Te Gebruiken Cold & Hot ...

Het verwijderen van de haarkleur met zuiveringszout neemt niet al te veel tijd of moeite in beslag. Dit zijn de dingen die je nodig hebt: Anti-roos shampoo. ... Mnr Johan Smit, skoolhoof van Laerskool Outeniqua in George, het sy versekering gegee dat die skool gereed is om die graad 7's Maandag 1 Junie by die skool te verwelkom. Lees meer by: https://bit ... Metodiek – hoe om iets of iemand te salf – nou weereens is ek glad nie ‘n fan van reëls en regulasies van wat en hoe nie, ek glo die Gees moet ons lei om dit... Vliegtuie is deur die loop van die week gebruik om brande in die Wes-Vrystaat en die aangrensende dele van die Noord-Kaap gebruik om te help om brande te blu... Soms kun je aan het eind van een zin de woorden 'om + te en een infinitief' gebruiken. Je kunt dat in drie situaties doen. In deze video leer je precies hoe ...

#